

Deze club wil het vooroordeel wegwerken dat bestaat over strips en beeldromans. Een beeldroman of graphic novel is niets meer en niets minder dan een strip. U kent het wel, zo'n boekje met plaatjes en tekstballonnen. De term werd bedacht door de Amerikaanse stripmaker Will Eisner, die vond dat zijn boek "A Contract With God" (1978) meer weg had van een literaire roman dan van de Spider-Mans en Donald Ducks die de stripcultuur in zijn land domineerden.

Vandaar 'graphic novel', in het Nederlands te vertalen als beeldroman. Enigszins vreemd is het natuurlijk wel dat, wanneer we het hebben over strips met artistieke of literaire ambities, er meteen een andere, nogal pretentieuze, benaming nodig is. Natuurlijk is er een wereld van verschil tussen Art Spiegelmans Holocaustdrama "Maus" en Suske en Wiske, net zoals er een wereld van verschil is tussen "Citizen Kane" en "Rambo 3", maar dat verandert niets aan het feit dat ze tot hetzelfde medium behoren en dus eigenlijk geen aparte benaming zouden moeten hebben. We noemen Citizen Kane immers ook niet 'fotografisch drama' of iets dergelijks. Dit heeft alles te maken met de culturele status van de strip, die beduidend lager is dan die van de film. Hoe die culturele status zo laag komt is een vraag waaraan je flink wat academische proefschriften zou kunnen wijden maar het feit is dat vrijwel iedereen bij strips aan
kleurrijk infantiel vermaak denkt, en dat 'strips voor volwassenen' vooral associaties oproept met het soort lectuur dat men doorgaans in een discrete papieren zak meeneemt. Dat is trouwens niet verwonderlijk: de strip is nu eenmaal de laatbloeier onder de kunsten en het wordt daarom nooit helemaal serieus genomen. Dat is jammer, want de strip heeft veel te bieden: de strip is uniek in de manier waarop het zich van zowel woorden als beelden bedient die je, in tegenstelling tot een film, op je eigen tempo tot je neemt. Het feit dat je tegelijkertijd leest en beelden bekijkt maakt het lezen van een strip tot een unieke leeservaring, waarbij het woord en het beeld elkaar kunnen versterken, tegenspreken of op welke manier dan ook met elkaar spelen.
Breng ook een bezoekje aan mijn andere clubs: - Italia - Venus - Musica Antiqua - Kathedralenbouwers - Naakten in de Kunst - Kastelen & Vestingsteden - Het vergeten Rijk van de Inca's - Van Prehistorie tot Middeleeuwen


DE JACHT IS MOOIER DAN DE VANGST - Parker brengt een duister wraakverhaal in een groene 'Mad Men'-gloed.
Onwillekeurig verslikten we ons al na enkele bladzijden in De jacht, het eerste deel van een reeks verstrippingen van de Parkerboeken door Richard Stark. Het verhaal over de eenzaam opererende kruimelgangster Parker die een dodelijke wraak op zijn matennaaiende partners najaagt en daardoor zichzelf overstijgt, beantwoordt aan een reeks welbekende genrewetten. Toch vielen vooral de gelijkenissen met het recente Criminal / Lawless van Sean Phillips en Ed Brubaker wel erg op.
De jager is een esthetisch verantwoorde versie van zo'n doortastend wraakverhaal. Iedereen die Parker dood wilde, van hulpje tot brein, moet het een voor een ontgelden. De ingehouden donkere commentaarstem uit de romans van Richard Stark wordt aangevuld met gestileerde tekeningen die volledig bij het tijdperk van de vroege jaren 60 passen: de mannen hebben een vierkante kin en houden het midden tussen Dick Tracy en Donald Draper, terwijl de vrouwen de onwereldse extreme curves hebben van de meisjes uit de reclame van die tijd.

Door de onwerkelijke aanblik van de figuren - in hun strenge bichromie van vuil gewassen groen en zwart - helt De jager soms gevaarlijk over naar de zelfparodie. De tekenstijl is dan geen directe ode aan een tijdperk meer, maar een bestudeerde leegte, die de bewerkelijke sfeerschepping door overdrijving tenietdoet. Op de beste momenten roept dit boek echter de verfijnde gangstermanieren op die ook in de misdaadstrips van een Igort te bewonderen zijn. De gewassen of gerasterde steunkleur speelt daarbij een fictionaliserende hoofdrol: ze herinnert de lezer eraan dat hier een onwelvoeglijke verheerlijking van geweld gaande is, die net dankzij de stilering door de beugel kan.
Blloan, 140 blz., euro 19,95.
Bron: GERT MEESTERS; Knack-FOCUS;

Met zijn vuistdikke autobiografische strip "Een deken van sneeuw" veroverde Craig Thompson in 2003 stormenderhand de stripwereld. Rond de langverwachte en al even omvangrijke opvolger "Habibi" - een post-9/11-versie van Duizend-en-één-nacht - heerst een hype zoals normaal alleen bij nieuwe strips van Marjane Satrapi of Art Spiegelman het geval is. En toch: 'Ik ben grootgebracht zonder ambities.'
Alleen al aan de manier waarop Habibi wordt gelanceerd, merk je dat de 36-jarige Craig Thompson een echte ster is geworden. Het boek wordt op dezelfde dag uitgebracht in Amerika en Europa, en je moest als reporter al erg je best doen om vooraf meer dan een hoofdstuk in handen te krijgen. Thompson zit ondertussen midden in een maandenlange promotietournee: zo'n professionele campagne is in het nogal los georganiseerde stripcircuit behoorlijk uitzonderlijk.
Hij heeft de oplopende spanning natuurlijk ook zelf in de hand gewerkt. Tussen Een deken van sneeuw, zijn tweede boek na het bescheiden debuut Good-bye, Chunky Rice, en het nieuwe Habibi ligt een periode van maar liefst acht jaar. Carnet de voyage, dat kort na Een deken verscheen, was een reisdagboekje met losse anekdotes, en zo vrijblijvend dat niemand het als de opvolger van Thompsons onverwachte bestseller zag. Toch heeft de Amerikaan uit het landelijke Wisconsin sinds 2003 niet stilgezeten. Habibi is net zoals Een deken van sneeuw gewichtig genoeg om een deuk in een hersenpan te slaan: de strip telt net geen zevenhonderd pagina's. Daar zou een gemiddelde Franse tekenaar zo'n vijftien jaar over doen.
Habibi is een heel ander soort boek dan zijn illustere voorganger. In een tijdloos kader, dat de milieuproblemen en vervoermiddelen van de hedendaagse wereld com-bineert met de sprookjesachtige Arabische decors van Duizend-en-één-nacht, laat Thompson twee ontsnapte kindslaven elkaar vinden, kwijtraken en opnieuw terugvinden. De relatie van het meisje Dodola en de jongen Zam - alias Habibi - ontwikkelt zich van een moeder-kindverhouding tot een in de kiem gesmoorde liefdeshistorie. Maar Thompson laat het niet bij de eeuwig problematische liefde tussen man en vrouw: hij duikt vol overgave in de Arabische culturele erfenis. Verhaalkunst, gelijkenissen tussen christendom en islam en decoratieve motieven uit de Noord-Afrikaanse cultuur komen terug in het hele boek. Terloops zet Thompson ook de mannelijke en vrouwelijke identiteit op losse schroeven door een groep vrijwillig gecastreerde travestieten op te voeren. Habibi is kortom veel rijker dan Een deken van sneeuw. Stof genoeg voor een gesprek.

'Een deken van sneeuw' veroorzaakte een lawine aan positieve kritieken, lezersreacties en prijzen. Hoe heb je die periode ervaren?
Craig Thompson: Het was een overweldigende tijd. Ik heb Een deken van sneeuw rustig kunnen maken in een heel beschermde omgeving. Ik ben opgegroeid in een kleine gemeente en had van mijn vorige strip Good-bye, Chunky Rice zo'n tweeduizend exemplaren verkocht. Ik hoefde dus niet al te onzeker te worden bij de gedachte aan mijn lezers-publiek. In mijn dromen hoopte ik op ongeveer evenveel lezers voor Een deken. Ondertussen zijn er alleen in de States al meer dan 100.000 exemplaren van verkocht.
Het werd ook onmiddellijk een internationaal succesverhaal. In de States kreeg Een deken van sneeuw aanvankelijk al meer weerklank dan ik had verwacht, maar toch bleef het boek nog geruime tijd onder de radar. Maar na de Franse uitgave bij Casterman voelde ik me in Frankrijk en België opeens een auteur met naam en faam.
In die tijd kwam daar ook het weldadige effect bij dat je in Europa als stripauteur serieus werd genomen, anders dan in de Verenigde Staten. Ondertussen is dat fel veranderd. Het grote succes van een strip als Een deken van sneeuw is daar een bewijs van. Zo'n lezersbereik was tien jaar geleden in de VS nog een utopie.
Tegelijk werd de hele periode na Een deken ook beheerst door zorgen. Ik kon haast niet meer tekenen door artritis in mijn tekenhand. Ik had maniakaal gewerkt om het boek af te krijgen. In die tijd kon ik nog helemaal niet van mijn strips leven, dus nam ik ontelbare illustratieopdrachten aan om de rekeningen te kunnen betalen. Bij het uitkomen van Een deken van sneeuw was ik oververmoeid. Daar kwam nog eens die hele internationale promotietournee bij, die me veel stress bezorgde. In de periode erna kon ik dus wel genieten van het succes, maar voelde ik ook de schade die het boek had berokkend aan mijn gezondheid en mijn persoonlijke leven.
Bij het tekenen van 'Een deken van sneeuw' hoefde je helemaal niet onzeker te zijn. 'Habibi' was een ander paar mouwen, vermoed ik.
Thompson: Daar zeg je zo wat. Ik voelde veel meer druk, want ik wilde natuurlijk dat Habibi minstens even goed werd als Een deken van sneeuw. Over het algemeen ben ik wel tevreden over de periode waarin ik aan Habibi heb gewerkt. Als je zevenhonderd bladzijden spreidt over zeven jaar, kom je nog altijd aan honderd bladzijden per jaar. Maar er waren wel degelijk periodes waarin ik creatief volledig geblokkeerd zat.
Hoe meer tijd Habibi in beslag nam, hoe erger het werd. Ik zou andere stripauteurs nooit aanraden om een boek zo lang te laten aanslepen, want dat is nefast voor de motivatie. Het voelde als een blok aan mijn been, maar ondertussen heb ik het gelukkig uit mijn systeem gekregen.
Misschien was het belangrijkste wel dat ik er moeite mee had om mezelf toe te staan om weer te tekenen. Het voelde egoïstisch om me aan mijn passie te wijden, terwijl naar mijn gevoel niemand op mijn werk zat te wachten. Ik weet wel dat ik de zaken overdreven voorstel en dat ik een trouw lezerspubliek heb, maar het voelde toch problematisch om gewoon te doen wat ik graag doe, namelijk een strip tekenen.

Heeft dat niet te maken met je familiale achtergrond?
Thompson: Zeker. Ik kom uit een gezin van born again christians uit de lagere arbeidersklasse. Werkethos was belangrijk, maar we zijn eigenlijk grootgebracht zonder ambitie, in welke richting dan ook. Ik heb kunstenaarsvrienden van wie de ouders teleurgesteld zijn omdat ze geen advocaten zijn geworden. Mijn ouders zijn ook ontgoocheld in mijn beroepskeuze, maar om een andere reden. Ze keuren het vooral af dat een bestaan als kunstenaar een zekere ambitie veronderstelt, al is het maar de overtuiging dat mijn werk goed genoeg is om lezers te kunnen boeien. Ze vinden het jammer dat ik een weinig nederige en spirituele way of life heb gekozen.
Terwijl je boeken bovenal spiritueel zijn.
Thompson: Zo zou je dat kunnen zien.
Je zei daarnet dat je niemand zulke lange projecten toewenst, maar waarom maak je dan zelf telkens van die dikke boeken? Zelfs in deze tijden van omvangrijke graphic novels is een strip van 665 bladzijden een uitzonderlijk huzarenstuk.
Thompson: Ik vind dat ik zoveel pagina's moet maken als ik nodig heb om mijn verhaal comfortabel te vertellen. Die lange aanloop moet ertoe leiden dat het einde waarachtig overkomt. De hype rond graphic novels heeft mij er vooral van overtuigd - al is dat misschien een vreemde gedachtekronkel - dat stripauteurs dezelfde ambitie mogen koesteren als schrijvers. En om dezelfde diepgang te verkrijgen als een schrijver in een roman kan leggen, heb je in een strip nu eenmaal veel meer pagina's nodig.
Ik ben ook erg beïnvloed door Japanse manga's. Japanse strips kwamen op in Amerika toen ik jong was, en ik raakte al snel verslingerd. In manga's zijn verhalen van honderden pagina's meer regel dan uitzondering.
Die Japanse invloed was veel duidelijker in 'Een deken van sneeuw', door de pagina's lange filmische sequensen. 'Habibi' is in verhouding veel meer gecondenseerd. Er zit ook veel meer tekst in.
Thompson: In Een deken van sneeuw wou ik met minimale middelen een heel vloeiende leeservaring creëren. In dat boek gebeurt er heel weinig. Habibi moest een echt epos worden, maar dan niet zoals bij Akira Kurosawa of Gabriel Garcia Marquez, met zijn honderden personages. De cast mocht beperkt zijn. In het boek wordt de wereld voorgesteld als zeven lagen hemel en zeven lagen hel, met een laag ertussen voor de ons bekende werkelijkheid. De kern van het boek is de relatie tussen Habibi en Dodola, maar dat is zeker niet de enige manier om het te lezen.
De complexiteit is dus gewild.
Thompson: Zeker, maar misschien heb ik wel overdreven. Op een bepaald moment werd ik voortgejaagd door een neurotische tekendrift. Pagina na pagina krabbelde ik helemaal vol, maar als je in zo'n drive zit, wordt het moeilijk om het overzicht te bewaren. Ik denk dat mijn waanzin het boek uiteindelijk wel goed heeft gedaan, maar ik zat volgens mij toch dicht tegen de dwangneuroses die je zo goed kunt zien bij Charles Crumb, de oudere broer van Robert, in de documentaire die Terry Zwigoff over Crumb maakte.

Je tekendrift staat niet in de weg van het verhaal.
Thompson: Mooi zo. Die neurotische kantjes moesten onopvallend onder de mat. De bedoeling is uiteindelijk om de lezer een boeiende leeservaring voor te schotelen, zonder dat hij zich vragen begint te stellen over mijn geestelijke gezondheid.
Voor 'Habibi' ben je radicaal afgestapt van het autobiografische werk, voor een episch verhaal in een Arabische context.
Thompson: Na Een deken van sneeuw en Carnet de voyage was ik het zat om mezelf te moeten tekenen. Ik wou ook andere decors kunnen tekenen dan mijn landelijke of stedelijke omgevingen. Ik zag twee mogelijkheden: ofwel een fantastisch verhaal in het genre van In de ban van de ring, ofwel een journalistieke strip zoals Joe Sacco ze maakt. Het is geen van beide geworden, maar ik heb toch het gevoel dat Habibi ergens in het midden zit. De personages zien hun leefmilieu achteruit gaan. Hun wereld is in gevaar door vervuiling en hard kapitalisme, zoals onze wereld. Dat is het journalistieke aspect, als je wil. Tegelijk snijd ik die onderwerpen aan in een sprookje in de trant van Duizend-en-één-nacht, met harem en al.
Was je al langer geïnteresseerd in de Arabische cultuur? Hoe is je interesse gegroeid?
Thompson: Ik vind het nu een beetje gênant, maar de motivatie om Habibi te maken kwam toch grotendeels door de naweeën van 9/11. Na de aanslagen op het World Trade Center kwam de Arabische cultuur in een veel te kwaad daglicht te staan. Ze werd voorgesteld als een radicale, gewelddadige cultuur. Het leek wel een heropstanding van het oriëntalisme van de late achttiende en vroege negentiende eeuw, waarbij het bevooroordeelde beeld van de cultuur van de ander moest dienen om de eigen superioriteit van het Westen te benadrukken.
Ik wist zelf weinig over de Arabische cultuur, dus heb ik me erin verdiept. Ik heb ook vrienden gemaakt met een Arabische achtergrond. Onmiddellijk viel me op dat de gelijkenissen tussen onze culturen veel groter zijn dan de verschillen. Zelfs voor iemand als ik, die vanuit een welwillende interesse voor de Arabische cultuur was vertrokken, kwam dat toch nog als een verrassing. Zo werden die culturele gelijkenissen een van de hoofdthema's van Habibi.
De oosters aandoende motieven kwamen vanzelf. Ik heb me gevoed met alles wat ik te pakken kon krijgen, en als tekenaar absorbeer je nu eenmaal snel visuele elementen. Het Arabische schrift biedt prachtige kansen voor een tekenaar, omdat het grafisch zo interessant is. En hun decoratie bezit toch een bijzondere sierlijkheid.
Halverwege 'Habibi' kwam ik tot de vaststelling dat de hoofdthema's van het boek eigenlijk dezelfde zijn als die van 'Een deken van sneeuw': liefde en religie.
Thompson: Ik ben het eens met die interpretatie, alleen zou ik de term religie niet gebruiken. Religie betekent voor mij een door mensen bedacht vehikel dat vooral duidelijke grenzen moet trekken tussen volkeren. Met Habibi wil ik juist tonen dat er geen scheidingen zijn tussen de christelijke en de islamitische wereld, dat ze onopvallend in elkaar overgaan. In plaats van de term religie zou ik dus spiritualiteit gebruiken. Maar de zoektocht naar een diepere betekenis blijft in beide boeken aanwezig.
Hoe gaat het trouwens met je hand? Je hebt net een boek klaar en wordt nu maandenlang opgeëist voor een promotietournee. Dat ziet er niet goed uit...
Thompson: Voorlopig heb ik nog geen last. Ik heb Habibi dan ook op een veel geregelder manier getekend - zeg maar in werkdagen van negen tot zes - dan Een deken van sneeuw. Ik heb mijn privéleven meer op orde. Ik kan eindelijk leven van mijn strips en ik ervaar dat echt als een privilege. De kans op handklachten door overbelasting en stress is volgens mij dus heel wat kleiner.
HABIBI
Craig Thompson,
Oog&Blik & De Bezige Bij,
665 blz., euro34.

De onweerstaanbare doorbraak van Een deken van sneeuw.
Augustus 2003: Blankets van de onbekende 27-jarige auteur Craig Thompson verschijnt bij de piepkleine uitgeverij Top Shelf Productions. Knack Focus juicht en geeft vier sterren.
December 2003: Time Magazine noemt Blankets de beste strip van het jaar.
2004: De Franse editie ( Blankets, Manteau de neige) en de Nederlandse ( Een deken van sneeuw) komen uit.
2004: De Amerikaanse editie bereikt de kaap van 25.000 verkochte exemplaren.
2004: Blankets kaapt de belangrijkste Amerikaanse prijzen weg op de Harvey Awards, de Eisner Awards en de Ignatz Awards: beste tekenaar, beste stripauteur en beste niet-voorgepubliceerde stripboek, zo luidt het eensgezinde verdict.
2005: Manteau de neige krijgt de Prix de la Critique op het festival van Angoulême. Voor de prijs voor beste buitenlandse strip blijft het bij een nominatie, waarschijnlijk omdat Thompson als winnaar te veel voor de hand lag.
2011: De kaap van 100.000 verkochte exemplaren wordt overschreden in de States. De strip is ondertussen in veertien talen beschikbaar.
Bron: Gert Meesters, Knack-FOCUS, 28 september 2011.
Graig Thompson

Je moet als stripmaker wel van erg goede huize komen als je je eigen strip bestempelt als 'een soort van tienerdrama meets Twin Peaks', maar Ross Campbell beschrijft zo zijn serie Wet Moon op zijn site. Dat Wet Moon een tienerdrama is kan ik na het lezen van de eerste twee delen inkomen. Ook spelen mysterieuze gebeurtenissen tot op zekere hoogte een rol in de strip. Doch aan Twin Peaks, de cult televisieserie uit de koker van David Lynch, waarin weirdness en humor samenkomen in een mysterieus verhaal, waarin je meeleeft met de onalledaagse perikelen van een kleurrijke cast van personages en waarin een unheimisch klinkende soundtrack een sfeerbepalende rol vervult, kunnen de strips van Campbell niet tippen.
Een David Lynch van de strip, de man die het alledaagse zo weet te belichten dat je er koude rillingen van op je rug krijgt, is Campbell evenmin. Heel jammer dus dat hij bij het duiden van zijn verhaal naar Twin Peaks refereert, want wie met dat idee in zijn achterhoofd de eerste hoofdstukken leest, komt van een koude kermis thuis. En dat terwijl Wet Moon, of Natte maan zoals de strip bij Uitgeverij Xtra is verschenen, een onderhoudend beeldverhaal is. Recent verscheen Onzichtbare voeten, het tweede deel in de reeks.
'Schijt aan Cleo'
Natte maan is de naam van een fictief studentenstadje in Zuid-Californië, waar Cleo Lovedrop woont in een groezelig studentenhuis. Ze is een ietwat neurotische eerstejaars literatuurstudent die samen met haar vriendinnen een liefde deelt voor gothic/emocultuur en cultfilms en -boeken. Nu is er van enig mysterie wel sprake: geregeld vindt ze briefjes met daarop 'Schijt aan Cleo' geschreven; het meisje dat eerst in haar kamer woonde is op een dag plotseling verdwenen, de grote vlek op de vloer het enige bewijs dat ze er ooit gewoond heeft. Ook heeft de mysterieuze fetisjkoningin Fern een bijzondere en nog niet verder verklaarde interesse in Cleo. Deze zaken sudderen vooral op de achtergrond terwijl Campbell zich concentreert op het dagelijks leven van deze jongvolwassenen. De hoofdmoot wordt bepaald door onderlinge relaties en afspraakjes, het uitvinden van seksuele identiteit en het volgen van colleges. In de alternatieve levensstijl van deze kids is homoseksualiteit net zo normaal als een koffieverkeerd bestellen. Campbell flirt met de gothic scene in zijn strip: ieder hoofdstuk begint met liedteksten van bands als Bella Morte, Azure Ray en The Birthday Massacre.
Vakwerk
Ross Campbell schrijft levensechte dialogen en wisselt scènes boordevol gesprekken af met tekstloze sequenties. De lieflijke scène waarin de stoere Trilby haar nieuwbakken vriendje voorzichtig probeert duidelijk te maken dat hij tijdens het vrijen ook zijn handen mag gebruiken, toont niet alleen aan dat deze stripmaker zijn personages en de wereld van de jongvolwassenen goed kent, maar ook dat hij weet hoe hij op naturalistische wijze een verhaal moet vertellen. Hij laat de lezer letterlijk dicht tot op de huid van de personages komen en brengt het geheel zonder sensatiezucht in beeld.
Campbell hanteert een strakke lijnvoering. Hij maakt aantrekkelijke tekeningen die uitnodigen tot lezen. Veel actie kent de serie niet, wel een aangenaam kabbelend tempo. Opvallend genoeg bedient Campbell zich niet van gedachteballons. Om ons toegang tot de gedachtewereld van Cleo te verschaffen laat hij ons soms in haar dagboek lezen. Zoals het een goed soapschrijver betaamt, eindigt hij ieder deel met een flinke cliffhanger.

In 2006 verscheen het eerste deel Vage omzwervingen bij Uitgeverij Xtra. Waarom het vijf jaar geduurd heeft voordat het tweede deel van de pers rolde is me niet bekend. Het is te hopen dat ze met het derde deel niet zo lang zullen wachten, want ik ben nieuwsgierig naar de verdere ontwikkelingen in het leven van Cleo en de rest van de cast.
Ross Campbell - Natte maan 2: Onzichtbare voeten
Uitgeverij Xtra
ISBN 9789077766514
Bron: www.zone5300.nl

JULIA ZONDER BALKON - In een typische woestenij herwerkt Enki Bilal Shakespeares ode aan de passionele liefde tot een grijze brij.
Alle goede dingen bestaan uit minstens drie bij Enki Bilal. Zijn vorige boek, Animal’Z, werd nog aangekondigd als een alleenstaand geval, maar de drukinkt was nauwelijks droog of de man had alweer een trilogie in gedachten. Julia & Roem deelt met zijn voorganger alleen de desastreuze toestand van moeder aarde, die na een enorme milieuramp tot een onherbergzame woestenij herschapen is. Na het zogenaamde Infarct verschoven hele continenten. Nu drijven ze op zee, bijna alle levende wezens zijn omgekomen en infrastructuur is er nauwelijks nog.
In die apocalyptische setting plaatst Bilal zijn klassiekste verhaal in lange tijd. Van de typische visuele vondsten is hier weinig terug te vinden, op wat water in poedervorm na. De titel geeft al aan waar het de auteur om te doen is: wanneer twee groepen overlevenden elkaar ontmoeten, spelen ze ongewild, maar onafwendbaar Shakespeares Romeo and Juliette na. Ze debiteren zelfs hele verzen van Shakespeares drama, meestal zonder dat ze er zich van bewust zijn. De multiconfessionele aalmoezenier Lawrence merkt al snel dat alle mensen in de samengebrachte groep namen dragen die naar het toneelstuk verwijzen en legt zich er vanaf dat moment op toe om de bekende dramatische afloop te vermijden.

Behalve pessimisme over de huidige toestand van onze aardbol kun je in Julia & Roem ook een sluimerend geloof in predestinatie lezen, maar die rigide valkuil weet Bilal nog te ontwijken. Julia & Roem is zijn moderne ode aan Shakespeares toneelstuk, dat aansluit bij een steeds weerkerend thema bij Bilal: de helende kracht van allesverterende liefde. Zijn herwerking kent echter weinig persoonlijke accenten, buiten de aankleding van het verhaal. Daardoor verliest Julia & Roem een groot deel van de aantrekkingskracht die gewoonlijk van zijn bevreemdende verhalen uitgaat.
Ook grafisch lijkt Bilal een stap achteruit te zetten. Van de lossere potloodtekeningen uit Animal’Z is hij teruggekeerd naar meer aangezette lijnen en een kleurenpalet dat stilaan als typisch Bilal gekenmerkt kan worden: veel grijs, met hier en daar een toets rood, wit of indigo.
JULIA & ROEM
Enki Bilal
Casterman,
90 blz., euro 18.
Bron: Gert Meesters; Knack-FOCUS.
"Stitches" trailer (vertaald als "Sprakeloos")

SNIJDEND DOOR MERG EN BEEN - De jeugd van David Small leek wel één groot kankergezwel, met liefdeloze ouders, gekke grootouders en verminkende operaties.
David Small heeft zijn faam te danken aan geïllustreerde jeugdboeken, maar gaat nu op pensioengerechtigde leeftijd helemaal de wereld rond met Sprakeloos, alias Stitches, een veelgeprezen stripversie van zijn jeugd. Stripautobiografieën krijgen wel eens het verwijt dat er behalve stilistisch oninteressante navelstaarderij weinig in te beleven valt, maar dat kun je Small alvast niet aanwrijven. De opeenstapeling van drama die de kleine Small in zijn eerste vijftien levensjaren te verwerken kreeg, zou volstrekt ridicuul zijn indien het boek als fictie zou worden aangeprezen.
Davids moeder is nors en streng, zijn vader al even zwijgzaam. Ziek worden lijkt de zwakke jongen de enige manier om aandacht te krijgen. Zijn gestoorde grootmoeder mishandelt hem, maar moederlief wil er niets van weten. Wanneer David een cyste in zijn hals ontwikkelt, gaat er ruim drie jaar overheen voor hij geopereerd wordt. Vader, zelf radioloog, leek er te gerust op, want ondertussen heeft David een levensbedreigende kanker ontwikkeld. Van de ene dag op de andere moet David verder met een stemband minder en een gigantisch litteken in zijn hals. Niemand vertelt hem dat hij kanker had.

Wat Sprakeloos onderscheidt van veel andere boeken die louter voor de dramatiek van een waargebeurd verhaal worden uitgegeven, is de vlijmscherpe stijlbeheersing. Vanaf het eerste moment trekt Small je zijn levensverhaal in. Hij slaagt daar vooral in door zijn tekeningen. Die zijn nauwelijks op stripinvloeden te betrappen, maar zijn jarenlange illustratie-ervaring heeft zichtbaar vruchten afgeworpen. Subtiele gezichtsexpressies en lichte, met verf aangebrachte grijstinten vatten de tragiek van het verhaal, zodat Small in zijn boek haast even zwijgzaam te werk kan gaan als dat in zijn gezin de gewoonte was. Daarbij neemt hij genoeg plaats om de beelden voor zich te laten spreken.
Een verontrustend levensverhaal in tekeningen omzetten is een hachelijke onderneming. Small is er echter op zo'n schijnbaar vanzelfsprekende manier in geslaagd dat je je zijn boek niet in een andere stijl of in een ander medium zou kunnen inbeelden.
David Small
Lebowski (www.lebowskipublishers.nl)
329 blz., euro 19,90.
GERT MEESTERS

Tweede recensie van Emy Koopman, "Getekende Stilte"; 8weekly.nl:
Je denkt dat je een standaardprocedure om een onschuldige cyste te verwijderen ingaat, maar wordt na twee zware operaties wakker zonder stem. Het overkwam de inmiddels succesvolle illustrator David Small op veertienjarige leeftijd. Zijn pijnlijke jeugdherinneringen staan opgetekend in de graphic novel Stitches.
De Nederlandse vertaling van Stitches werd al eind 2010 aangekondigd, toen als 'Getekend' en bij een andere uitgeverij. Waarom naast de verandering van uitgeverij ook een verandering van titel noodzakelijk werd gevonden is onduidelijk. 'Getekend' is een mooie dubbelzinnige titel, die aangeeft hoe belangrijk het vermogen zich uit te drukken via tekeningen was en is voor Small. Zoals de auteur het zelf verwoordt als hij laat zien hoe hij op zestienjarige leeftijd uit huis ging: 'Kunst werd mijn thuis. Kunst gaf me mijn stem weer terug en daarna alles wat ik nog wilde of nodig had.'
'Ziek zijn, dat was mijn taal'
Het mag niet verbazen dat je niet veel tekst aantreft in Sprakeloos. Vanaf de eerste bladzijden wordt filmisch ingezoomd op een gezin waarin iedereen zo zijn eigen manier van non–verbaal communiceren heeft: moeder slaat met de deurtjes van keukenkastjes, vader ramt in de kelder op een boksbal, en broer timmert op een drumstel. David zelf is een ziekelijk kind: 'ziek zijn, dat was mijn taal'.
Ziek zijn lijkt de enige manier waarop de kleine David aandacht kan krijgen van zijn vader, die arts is en radioloog. Om zijn voorhoofdsholteontstekingen te bestrijden, wordt hij voortdurend onder zijn vaders apparaten gelegd, met – zo blijkt later – desastreuze gevolgen. Er groeit een gezwel in Davids keel dat aanvankelijk onterecht wordt aangezien voor een ongevaarlijke cyste. Pas na drie en een half jaar wordt hij geopereerd. Als hij wakker wordt is één van zijn stembanden verwijderd. Door het toevallig aantreffen van een brief van zijn moeder ontdekt hij dat hij kanker had.
Subtiele tekeningen
De rancune die David naar zijn ouders voelt is overduidelijk. Zij worden onaantrekkelijk afgebeeld, als mensen die zich meer bekommeren om een nieuwe auto dan om het welzijn van hun zoon. Mensen ook, die zijn boeken van hem afpakken en verbranden. Hoe bedrogen en verwaarloosd hij zich voelt weet David echter op subtiele, grotendeels onsentimentele wijze in beeld te brengen. Zo zegt hij niet direct dat hij zich verlaten voelt door zijn moeder, maar laat hij David dromen over een komisch uitziend vleermuisje, dat in de regen naar zijn moeder zoekt, om alleen een kapotte paraplu tegen te komen.
Dromen en fantasieën spelen sowieso een grote rol in het boek, wat Small alle ruimte geeft om zijn tekentalent tentoon te spreiden. Kleine David verdwijnt in papier, of kruipt weg in zijn eigen mond. Het zijn sterke metaforen, die magistraal in beeld zijn gebracht. Small weet hoe hij beweging kan suggereren, en hoe hij met een enkele pennenstreek de juiste gezichtsuitdrukking tevoorschijn kan toveren. De gewassen inkttechniek die hij hanteert creëert daarbij een schetsmatig en vaak onheilspellend effect.
Onaf
In alle lof die je Small moet toewuiven voor zijn verbeelding en uitdrukkingskracht is er echter wel een minpuntje te noemen: de plot. Terwijl David voor droomsequenties alle tijd neemt, passeren grote gebeurtenissen als zijn moeders lesbische affaire en zijn beslissing voortijdig het ouderlijk huis te verlaten juist in sneltreinvaart. Het geheel doet daardoor wat onevenwichtig en onaf aan. Dit wordt nog verergerd door een verklaring die achterin het boek is opgenomen, waarin wordt uitgelegd dat moeder Small toch ook zo haar eigen problemen had.
Het is de catch 22 van de autobiografie: om een mooi verhaal te maken moet je dingen weglaten en vervormen, maar hoe meer dingen je weglaat en vervormt, hoe verder je van de 'waarheid' verwijderd raakt. Sprakeloos was waarschijnlijk nog beter geweest als Small zijn verhaal vollediger had uitgesponnen en het geduld had opgebracht om de achtergrond van de andere gezinsleden te schetsen. Nu blijft iedereen behalve David zelf een karikatuur in de kantlijn. De kantlijn, weliswaar, van een sterk en prachtig getekend verhaal.
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Inloggen met Hyves
Inloggen met Facebook
Inloggen met Google
Inloggen met Windows Live
Inloggen met Twitter Wat is dit?Je kan je ook aanmelden via een van bovenstaande partner websites. Klik op het icoontje en je bent direct ingelogd op Clubs.nl
Of maak zelf een Clubs account aan:
Statistieken
De Schaduw van het Vuur
De strijd tegen het water
Gelimiteerde editie nieuwe Hermann-strip
Marten Toonderprijswinnaar Peter Pontiac aan het woord
Shutter Island - Uitgeverij Casterman
Scarface - Uitgeverij Casterman
Eric Heuvel wint Stripschapprijs 2012
28.12.2011 | 20:21
De Nederlandse stripauteur Eric Heuvel, bekend van o.a. ‘January Jones’ en de historische strips ’De ontdekking’, ‘De zoektocht’ en ‘De terugkeer’, wint de Stripschapprijs 2012, de oudste stripprijs van Nederland. Dat meldt het Stripschap, de organisatie die de prijs uitreikt. De Stripschapprij…
Lees meer…
26.12.2011 | 01:20
1. ASTERIOS POLYP
DAVID MAZZUCCHELLI
Mazzucchelli's verhaal over een scheve architect die zijn schepen verbrandt, gebruikt alle stilistische middelen die een strip ter beschikking heeft.
2. FROM HELL - VANUIT DE HEL 3
EDDIE CAMPBELL & ALAN MOORE
Slotstuk van een duistere klassieker over Jac…
Lees meer…
Vervolg op 'Het gele teken' in de maak
04.12.2011 | 16:33
Jean Dufaux, scenarist van onder meer Jessica Blandy, Djinn en Giacomoc C. zal eind 2013 Jean Van Hamme opvolgen als scenarist voor Blake en Mortimer. Zijn intrede zal niet onopgemerkt voorbij gaan, want de Belg waagt zich aan een vervolg op het legendarische album Het gele teken met als voorlopige…
Lees meer…
05.11.2011 | 23:09
Strips en tablets zijn voor elkaar gemaakt. Alleen jammer dat de uitgevers daar nog niet allemaal van overtuigd zijn.
Voor wie gek is op Amerikaanse strips, is de iPad een godsgeschenk. Je vindt een schier eindeloos aanbod, onmiddellijk beschikbaar. De voor de hand liggende app om mee te beginn…
Lees meer…

Joe Sacco vond een genre uit: de stripjournalistiek. Twee nieuwe vertalingen moeten zijn werk ook bij de Nederlandstalige lezer introduceren. 'Pas wanneer je eet en leeft met de mensen over wie je schrijft, kan je bevatten met wat voor problemen ze te kampen hebben.'
Hij studeerde journalistiek, hij tekende strips. Ergens op het einde van de jaren 80 begon hij die twee te combineren. 'Ik zou niet durven te zeggen dat het toevallig gebeurd is, maar het is wel organisch gegroeid. Op een bepaald moment besloot ik, uit een min of meer journalistieke reflex, naar de Palestijnse gebieden te trekken', vertelt hij. 'Ik wilde zien hoe het er was. Het werk dat ik in die tijd maakte, sloot aan bij de autobiografische strips die toen in de VS erg populair waren. Toen ik vertrok, wilde ik gewoon een getekend reisverslag maken, maar eenmaal daar ging ik achter verhalen aan en begon ik mensen te interviewen. De journalistiek bleek nog altijd de filter te zijn waardoor ik de dingen bekeek.'
Het was de start van een nieuw genre, de stripreportage, waarvan Joe Sacco (1960) nog steeds als de belangrijkste vertegenwoordiger geldt. Sacco werd geboren op Malta, groeide op in Australië en woont al decennia in de Verenigde Staten. Zijn stripreportages over conflictgebieden overal ter wereld leverden hem onderscheidingen, bestsellers en de bewondering van schrijvers en journalisten op. Twee van zijn beste boeken verschijnen nu in het Nederlands, Moslimenclave Gorazde en Gaza 1956.

Journalistiek is een heel snel medium, strips zijn bij uitstek een traag medium.
Joe Sacco: 'Als ik ergens ben, gedraag ik me zoals elke andere journalist. Ik probeer een verhaal scherp te krijgen, trek van het ene interview naar het andere. Maar journalisten schrijven elke dag of elke week een verhaal. Dat kan ik uiteraard niet - het vraagt erg veel tijd om een strip uit te werken. Ik bedrijf slow journalism, trage journalistiek. Ik ga op zoek naar universele verhalen. Wat ze universeel maakt, denk ik, is dat ik vooral met gewone mensen praat.'
Dat u in tekeningen verslag uitbrengt, heeft dat voordelen?
'Zeker, zoals het uiteraard ook nadelen heeft. Vooral die traagheid is weleens een probleem. Als ik op een verhaal stoot dat ik meteen wereldkundig zou willen maken, stoort het me soms dat ik er niet direct mee verder kan. Het grote voordeel is dat wanneer een lezer een strip openslaat, hij zich onmiddellijk op een bepaalde plaats bevindt. Je moet daar geen uitleg bij geven, het beeld zegt alles. Een tekening volstaat om een lezer naar een vluchtelingenkamp op de Westelijke Jordaanoever te brengen.'
Ik las onlangs 'Down and out in Paris and London' van George Orwell. Het viel me op dat er nogal wat gelijkenissen zijn tussen wat u doet en zijn manier van werken.
'Orwell was een heel belangrijke inspiratiebron voor me. Wat mij vooral trof toen ik zijn werk voor het eerst las, was dat hij zich echt verplaatste in de situatie van de mensen over wie hij schreef. Sommige mensen zullen dat zien als slumming (een fenomeen van eind negentiende eeuw waarbij rijke Britten zich op bijna toeristische wijze tussen de armen begaven 'om te kijken hoe het voelt', red.), maar voor mij is het de enige manier om het te doen. Pas wanneer je eet en leeft met de mensen over wie je schrijft, kan je bevatten met wat voor problemen ze te kampen hebben. Boeken als Down and out in Paris and London, waarin Orwell verslag uitbrengt van een lang verblijf tussen de daklozen van Londen en Parijs, of The road to Wigan Pier, waarin hij in de bedden slaapt van de mensen die in de steenkoolmijnen werken, openden mij de ogen. Het probleem met veel journalisten is dat ze 's nachts steeds naar hun luxueuze, bewaakte hotels terugkeren. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk, vaak noodzakelijk zelfs. Maar het verwijdert hen wel van wat er écht gebeurt.'
Wanneer je voor een krant begint te werken, is de eerste boodschap die je krijgt: wees objectief. Bent u objectief?
'Niet in de betekenis die daar meestal aan gegeven wordt. Ik geloof wel in een objectieve waarheid, die je als journalist moet proberen te achterhalen. Maar het is wel ontzettend moeilijk om objectief te zijn. Iedereen heeft vooroordelen, ook reporters. Als ik als westerling naar Gaza trek, neem ik een pak vooroordelen mee. Ik geef er de voorkeur aan om dat al op voorhand te erkennen. Het is heel vanzelfsprekend dat een buitenstaander subjectief is. Als een outsider, als een westerling, vraag ik me uiteraard af waarom vrouwen de hijab dragen. Ik erken dat. Daarmee kan ik de lezer gemakkelijk aanspreken, want in veel gevallen heeft die dezelfde vooroordelen. Vervolgens vraag ik aan die vrouwen waarom ze de hijab dragen en laat ik het hen zelf uitleggen.'
'In de Amerikaanse journalistiek wordt objectief meestal gelijkgesteld met evenwichtig. Als je een verhaal brengt, dan is het objectief als je de twee kampen aan het woord laat. Ik heb geen probleem met die manier van werken, maar dat betekent nog niet dat elk van die twee partijen met evenveel recht de waarheid kan claimen. De waarheid ligt niet altijd in het midden van twee uiteenlopende versies van hetzelfde verhaal. Het doel van een journalist is niet om twee versies van één verhaal te brengen, nee, de journalist moet proberen te achterhalen wat er écht gebeurt.'
Is dat de reden dat u indertijd naar Bosnië trok?
'Ik ergerde me eraan dat de internationale gemeenschap de crisis in Joegoslavië afdeed als louter humanitair. Ze schoven de hete aardappel steeds maar door om het toch maar niet als een politieke materie te moeten behandelen, wat het wel degelijk was. Door het te omschrijven als een humanitaire crisis konden ze de wereld doen geloven dat ze echt wel iets deden. Ook al was dat niet het geval. Vergeet niet: er werden tienduizenden mensen vermoord. Zomaar. In Europa. Ik was op dat moment in Europa en ik voel me nog altijd Europeaan - ik ben op Malta geboren. Ik vond het schokkend. Ik was er altijd van uitgegaan dat er na 1945 nooit meer oorlog zou komen in Europa. Ik zag het als mijn plicht om te gaan kijken wat er precies gebeurde.'
U koos ervoor om niet zomaar in Sarajevo te blijven, zoals de meeste journalisten.
'Ik trok naar de moslimenclave Gorazde, al had ik er vooraf geen flauw idee van wat ik daar zou aantreffen. In Sarajevo waren er zoveel journalisten dat veel inwoners van de stad wantrouwig werden. Ze vroegen zich af wat al die mensen daar kwamen doen, en wat voor zin het had om iets tegen hen te vertellen. Terwijl de mensen in Gorazde net ontzettend blij waren dat ze hun verhaal eens konden vertellen. Ik realiseerde me ook dat het verhaal van deze mensen niet verteld zou worden als ik het niet zou doen.'
In 'Gaza 1956' staat een vergeten incident uit 1956 in Rafah centraal, waarbij 111 Palestijnen door Israëlische soldaten werden doodgeschoten. Waarom nam u dat als onderwerp voor een boek?
'Net omdat het vergeten is. In een conflict waarvan we denken dat we er veel over weten en dat elke dag in het nieuws is, blijkt een incident waarbij zoveel doden vielen zomaar vergeten. Mijn idee was de mensen die erbij waren, die het overleefd hebben, aan het woord te laten.'
De Palestijnse intellectueel Edward Saïd, die zich heel lovend uitliet over uw werk, heeft zich er altijd over beklaagd dat de Palestijnse stem amper gehoord wordt als het over het conflict in het Midden-Oosten gaat. Bent u het met hem eens?
'In het Westen is dat in ieder geval zo. In de jaren 90 was er beterschap, maar na de aanslagen op de WTC-torens en het Pentagon ging het opnieuw veel slechter. Palestijnen worden opnieuw gelijkgesteld met terroristen. Wat de Palestijnen is overkomen, wordt altijd bekeken door een filter van terrorisme, de veiligheid van Israël. Mijn punt is: gooi die filters weg en luister naar wat de Palestijnen zelf te vertellen hebben. Ik wil Palestijnse stemmen laten horen. Die stemmen kunnen zich vergissen, je voelt je er niet altijd comfortabel bij, soms zijn ze zelfs slecht voor hun eigen zaak. Maar luister gewoon naar wat ze zeggen.'
'Wanneer je de frustraties en de weerstand van de Palestijnen wilt begrijpen, besef dan dat het om een volk gaat dat sinds 1948 steeds opnieuw is vernederd. Ze hebben zelfs nog geen moment de tijd gehad om hun geschiedenis te verwerken, want ze zitten nog altijd in een razendsnelle opeenvolging van historische gebeurtenissen. Ze proberen om te gaan met het drama dat ze vandaag meemaken, niet met wat hun grootouders of hun ouders overkomen is. Terwijl wat daar gebeurd is zo intens is dat je het echt wel moet verwerken.'
'Gaza 1956' verschijnt bij Atlas. 'Moslimenclave Gorazde' bij Xtra.
- Uitgeverij Atlas
- Uitgeverij Xtra
Bron: Toon Horsten, 'Ik bedrijf trage journalistiek'; De Standaard (www.standaard.be); 20 juni 2011.

LIEFDE IS DOOF - Dan Clowes laat je meekijken in het hoofd van een datende veertiger met een laag zelfbeeld.
De ideale man was volgens Dan Clowes 'de enige kans die ik ooit zal hebben op een vervolgstrip in een krant". Twintig weken lang mocht de auteur van Ghost World en Wilson een pagina in The New York Times zetten. Hij gebruikte die gelegenheid voor een antiromantisch liefdesverhaal. Marshall, een door het leven teleurgestelde veertiger, heeft zich door vrienden tot een blind date laten overtuigen. Samen met hem wacht je in een café op een onbekende vrouw, die zo laat is dat ze niet meer lijkt te komen. Ondertussen becommentarieert Marshall de situatie in een voice-over. Daarin belanden zijn ergernissen over mensen die al gsm'end een café binnenkomen, maar ook zijn voorzichtige inschattingen van de vrouwen om hem heen. Eén van hen zou wel eens zijn blind date kunnen zijn.
Wanneer zijn afspraakje uiteindelijk toch nog opduikt en onverwacht knap blijkt, razen Marshalls gedachten onverminderd door. Ze zijn zo dominant dat ze de tekstballons van de gesprekken bedekken, waardoor de smalltalk van zo'n eerste conversatie achteloos wordt gewist. De situatie blijft niettemin perfect leesbaar. Clowes draait de verhoudingen om: de onhoorbare gedachtestroom heeft meer relevantie dan de hoorbare, maar zinloze gesprekken en wordt dus visueel dominant. Zo heb je als lezer geen toegang meer tot de normaal wel hoorbare geluiden van de alledaagse conversatie.

Voor deze boekuitgave herschikte Clowes de oorspronkelijke tekeningen uit de krant en vulde hij hier en daar zijn voorgepubliceerde pagina's aan met extra materiaal. In vergelijking met het vorig jaar verschenen Wilson is De ideale man minder vernieuwend en een stuk ernstiger. Clowes laat zijn karakteristieke wrange humor niet helemaal achterwege. Zo is het bijzonder ironisch dat de sullige Marshall als een echte held toevallig de dief onderschept die de handtas van zijn nieuwe vlam heeft ontvreemd of dat hij later op de vuist gaat met haar ex. Maar in De ideale man overheerst toch vooral een hoopvolle tristesse. Clowes portretteert met mededogen kwetsbare mensen die blutsen en builen hebben opgelopen, maar tegen beter weten in blijven proberen om er het beste van te maken.
DE IDEALE MAN
Daniel Clowes
Oog&Blik & De Bezige Bij,
77 blz., euro 19,90.
Bron: GERT MEESTERS; Knack-FOCUS
Polina - Bastien Vivès

Een strip over ballet. Zucht. Wij hebben nu eens niets met ballet. En deze wat truttige, rozeTiny-cover helpt ook al niet erg. Toch hebben we Polina blindelings gekocht. Hiervoor is er uiteraard maar één reden, namelijk Bastien Vivès. In amper een paar jaar tijd is deze twintiger uitgegroeid tot een van de meest innovatieve Franse stripmakers. De Smaak van Chloor, In Mijn Ogen, Innige Vriendschap waren immers een hattrick om U tegen te zeggen. En nu dus een strip over tutu's en pliés. Zucht.
Polina vertelt het verhaal over een wat twijfelend jong meisje die haar balletopleiding mag vervolmaken bij de academie van de stugge, veeleisende Bozjinski. Hoewel ze het zelf niet beseft, is Polina een ruwe diamant. Bozjinski probeert haar op zijn manier te polijsten. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Uiteindelijk keert de Russische het klassieke tenengetippel de rug toe en gooit ze zich met succes op de experimentele dans. Maar haar leermeester en mentor blijft als een schaduw over haar carrière hangen.
Deze hele strip balanceert tussen apathie en genialiteit. De levensloop van Polina boeit ons evenveel als het testbeeld op een zwart-witscherm. Haast nergens worden wij geraakt of leven we echt mee met de danseres. Nochtans zien en voelen we haar zweet om van elke choreografie een eclatant succes te maken. Helaas is niets zo saai als perfectie. Aan de andere kant is dit intiem, ietwat suggestief verhaal schitterend in zijn opbouw. Vivès heeft zijn stokpaardje, het romantische liefdesverhaal, naar de achtergrond verdrongen. Vooraan op de bühne zien we nu de menselijke bewegingen in hun ultieme perfectie. Wat daarachter gebeurt doet er niet toe, en is dus consequent sereen grijs ingekleurd. Enkel Polina is van tel. Haar blik is als enigste leesbaar. Een zeldzame keer wordt ze geraakt door een blik van een vriendje, en is er een zichtbare interactie. Voor de rest is de wereld rond de zichzelf afschermende Polina gezichtsloos. En dat had zelfs de grote Bozjinski niet verwacht, waardoor zijn verhaal ons wel intrigeert.
Met Polina heeft Bastien Vivès weer een nieuwe trede genomen in zijn carrière. Stoutmoedig blijft hij kiezen voor het experiment zonder de commerciële wetmatigheden uit het oog te verliezen. Waar gaat dat eindigen?
Bron: Wouter Porteman; Stripspeciaalzaak.be ; maart 2011

Naar aanleiding van het verschijnen van “Polina” bij Casterman konden we een kort interview houden met Bastien Vives, de jonge talentvolle Franse auteur.
"Polina" speelt zich af in de wereld van het ballet, hoe komt een jonge man er bij om dit als onderwerp voor een stripverhaal te kiezen?
Ik wilde een stripverhaal maken dat zich afspeelde in het artistieke milieu. Ik kon natuurlijk ook de wereld van het stripverhaal genomen hebben. Maar aangezien die zich vooral afspeelt in een tekenstudio zou dit maar een saaie strip opleveren. Ik hou er van om mensen in beweging te tekenen, daarom leek het ballet me een betere keuze.
Is het hoofdpersonage polina gebaseerd op de bekende Russische balletdanseres Polina Seminova?
Niet echt. Aangezien ballet uit enkele basisbewegingen bestaat moeten de tekeningen anatomisch correct zijn, of je ziet direct dat de ballerina niet correct beweegt. Om me voor te bereiden heb ik enkele dansvideos bekeken. De eerste die ik vond was van Polina Seminova. Dat leek me een leuke voornaam voor mijn personage, voor de rest heb ik me niet op haar leven gebaseerd, behalve dat een deel van mijn verhaal zich ook in Berlijn afspeelt waar Polina Seminova ook heeft gewerkt. Ze is ook een jonge vrouw, maar verder gaat de gelijkenis niet.
Het viel me op dat Polina altijd met een zwarte neus wordt afgebeeld, zit daar iets achter?
Niet echt, het was de bedoeling dat je Polina gemakkelijk zou kunnen herkennen bij het lezen van het verhaal. We volgen haar al vanaf ze zes jaar is, dus ze verandert wel qua uiterlijk als ze opgroeit. Ik heb een vriendin die een nogal rode neus heeft, zo kwam ik op het idee om haar neus te kleuren. Maar aangezien het een zwart/wit verhaal is kon ik haar neus niet rood kleuren natuurlijk.
Bozjinski, de balletleraar van Polina, doet enkele straffe uitspraken over kunst en dansen. Zijn dit uw woorden, is dit uw mening?
In sommige uitspraken kan ik me perfect vinden bijvoorbeeld als hij zegt dat een vertolking er elegant en licht moet uitzien, anders zien de mensen alleen maar moeite en inspanning. In stripverhalen is dat net hetzelfde.
U wordt het nieuwe jonge Franse talent genoemd. Bij ons wordt Brecht Evens naar voor geschoven als Belgisch equivalent. Ken je hem, en zijn werk?
Ik heb Brecht al ontmoet op een stripfestival. Toen “Ergens waar je niet wil zijn” werd vertaald heb ik dat boek ook ingekeken. Alhoewel hij een eigen stijl heeft zijn er ook punten van overeenkomst tussen ons. Zo werkt hij ook in hoofdstukken. Hij werkt ook graag met beweging. Hij experimenteert wel meer dan ik.
U gaat het experiment toch ook niet uit de weg. Was “de smaak van chloor” nog redelijk klassiek te noemen, dan is “In mijn ogen” toch erg origineel opgevat. Het is uitgewerkt in potlood, geen kaders en zo voort.
Het gaat me niet echt om het experiment, meer hoe ik aanvoel hoe ik iets het best kan overbrengen. Zo is het dansen in “Polina” toch wel belangrijk, daarom zijn de dansers altijd in het wit afgebeeld. Ik heb ook grijs toegevoegd om het contrast tussen het wit en het zwart niet te groot te maken.
Het valt me op dat u graag sterke, mysterieuze vrouwen tekent, je kan er zo verliefd op worden.
Ik werk graag met vrouwelijke personages, ik krijg die gemakkelijker op papier. Zo is “In mijn ogen” ook geëvolueerd totdat het mannelijke personage uit beeld verdween.
Dan bent u de eerste man die de vrouwen kan doorgronden!
Haha, dat zou ik nu ook weer niet durven zeggen
Is er nog een scenarist of tekenaar waar u graag eens zou mee samenwerken?
Ik vertel graag verhalen, en ik teken die ook graag zelf. Ik werk liever alleen.
Toch werkt u niet alleen aan het niet vertaalde “Pour l’empire”
Dat is een ander verhaal, want daar is het niet dat Merwan instaat voor het scenario en ik voor de tekeningen. We werken samen aan de volledige uitwerking. Dus zowel het verhaal als de tekeningen.
Werkt u dan liever alleen in een bureau of samen in een studio?
Striptekenaar zijn is sowieso al een eenzame bezigheid, daarom werk ik graag in een studio, zo kan je bij problemen ook raad vragen aan iemand anders, of krijg je een interactie met je collega’s
Kan u ons al vertellen waar u nu mee bezig bent?
Dit jaar werken we het laatste deel af van “Pour l’empire”. Daarnaast zijn we ook bezig met een soort van manga verhaal die meer dan duizend pagina’s moet bevatten, maar meer kan ik er niet over vertellen.
Al na het lezen van uw eerste vertaalde album zit ik al met de vraag wat de zwemster uit “De smaak van chloor” nu eigenlijk wil zeggen onder water. Kan u een tip van de sluier oplichten?
Eigenlijk weet ik ook niet wat ze zegt, misschien maakt ze een grap, misschien wil ze iets serieus vertellen? Dat zal altijd een mysterie blijven. Over de laatste twee pagina’s in annex kan ik wel duidelijk zijn: daar is ze onder water aan het zingen.
Bron: 'beus'; stripINFO.be

POLINA - Sebastien Vivès
Casterman, Collectie KSTR
€ 22,50, 212 bladzijden.
Strip over het leven van Vincent van Goch

Van Guy Delisle zijn bij uitgeverij Oog & Blik / De Bezige Bij, al een tijdje “Pyongyang” en “Birma” verkrijgbaar. Vreemd als je bedenkt dat deze twee, samen met “Shenzhen” een zelfde grondstof kennen, namelijk “Delisle-geeft-zijn-indrukken-weer-van-een-andere-cultuur”, maar dat “Shenzhen”, dat nu pas in het Nederlands uitkomt, in de oorspronkelijke taal (Fans) de eerste uitgave in deze onofficieuze trilogie was. Waarschijnlijk heeft het iets met marketing en marktonderzoek te maken.
Op zich is dat eigenlijk nog goed nieuws want waarschijnlijk wil dat ook zeggen dat die andere twee boeken misschien nog beter zijn en ik heb van dit al zo genoten.
“Shenzhen” is het verslag in stripvorm van Delisle’s verblijf in de gelijknamige Chinese stad. Hij moet daar, in opdracht van “Dupuis-Animations” de ontwikkeling en productie van een “Papyrus”-tekenfilm in goede banen leiden.
Zeggen dat Delisle in Shenzhen een vreemde eend in de bijt was zou een understatement zijn. Het boek loopt over van botsende culturen. Dat kan van heel miniem (in China geeft en aanvaard men voorwerpen met beide handen) tot heel extreem (de toestand van de tandartserij) zijn, maar Delisle brengt alles met verve in beeld. De scènes waarin Delisle zijn Chinese ondergeschikten probeert uit te leggen hoe men één en ander placht te doen in een animatiestudio en de interactie met hen in het algemeen zorgen voor de nodige hilariteit.
Het boek kent niet echt een plot, het begint wanneer Delisle aankomt en eindigt wanneer hij weer vertrekt. Dat zorgt voor een vrij fragmentarisch verloop dat vreemd genoeg niet stoort. Het maakt zelfs dat er een groter vervreemdingseffect bij de lezer optreed naarmate die vordert in het boek. En laat vervreemding nu net het thema zijn. Delisle werkt dat fragmentarische zelfs in de hand door de dagboekachtige strippagina’s te laten afwisselen met schetsen van gebouwen die hij de moeite waard vond en zelfs met excerpten uit boeken die hij in China gekocht heeft.
Delisle is op zijn best als hij de zaken vanop afstand bekijkt. Zijn relativeringzin zorgt er vaak voor dat er een kurkdroog laagje humor over het boek gedrapeerd wordt. Wanneer hij die humor achterwege laat komt hij soms tot haast poëtische scènes waar andere dagboektekenaars een arm voor veil zouden hebben. Niet hun tekenarm, maar toch.

Af en toe zitten er echter scènes in het boek die Delisle gerust achterwege had kunnen laten. Door hun willekeurigheid bemoeilijken ze het vlot lezen en inleven. Ook als Delisle de literaire toer opgaat en liggend op zijn bed filosofeert over “eenzaamheid” en “cultuur” krijgt de strip iets dat te zoeterig en te geforceerd overkomt.
De tekeningen zijn helemaal in potlood gemaakt maar zijn weldegelijk beter afgewerkt dan dat je op het eerste gezicht zou vermoeden wanneer je de ruwe lijnen en schaduwpartijen in je opneemt. Die ruwe kwaliteit en de “in-you-face”-heid ervan passen wonderwel bij het verhaal en bestendigen het “dagboek”-effect ervan.
Een leuk extraatje voor stripliefhebbers is dat Delisle de werkgerelateerde zaken die hij meemaakt niet gecensureerd lijkt te hebben. Niet dat er grote geheimen uit de keuken van Dupuis worden te grabbel gegooid maar als lezer leer je wel één en ander bij over hun beleid inzake kwaliteitsbewaking.
De kwaliteit van dit boek ligt echter hoog. Dat plezierde me nog meer omdat dit een zogenaamde “Graphic Novel” met humor is. Dat zie je namelijk niet zoveel en daarmee is “Shenzhen” een belangrijk voorbeeld van het feit dat graphic novels niet altijd droog en serieus moeten zijn.
Bron: Peter Moerenhout; http://petermoerenhout.be

In 'Stad van klei' boetseert Milan Hulsing het portret van een kleine man die verstrikt raakt in zijn leugens. Daarmee lijkt de in Caïro residerende Nederlander plots op de actualiteit in te spelen.
Het is verleidelijk om Stad van klei met de protesten tegen Egyptisch president Moebarak in verband te brengen. De Nederlander Milan Hulsing woont al een hele tijd in Caïro en baseerde zijn verhaal op de novelle Over The Bridge van de Egyptische schrijver Mohamed El-Bisatie. Tergende corruptie, repressief politieoptreden en broeiende opstand zijn duidelijke thema's in het boek. Toch is Stad van klei veel meer dan een chirurgisch precieze identificatie van wat er in het land zoal misloopt.
Een kleine ambtenaar krijgt het lumineuze idee om het systeem op te lichten. De man creëert een fictief stadje door alle officiële papieren over het bestaan ervan te vervalsen. Zo kan hij subsidies vragen voor de lokale politiemacht, waarna hij dat geld naar zijn eigen bankrekening afleidt. De ambtenaar slaagt in zijn opzet, maar raakt meer en meer in zijn eigen leugen verstrikt.
Om het bestaan van de stad vol te houden, levert hij een niet aflatende stroom van rapporten, waarin de politie de grote veiligheidsproblemen ter plekke aankaart. Om die verhalen consequent te houden, boetseert de ambtenaar zelfs een schaalmodel in klei van de stad, dat het grootste deel van zijn appartement inpalmt.

Gaandeweg raken realiteit en fictie meer en meer verstrengeld. De harde politie-inspecteur van de verzonnen stad blijkt hetzelfde probleem te hebben als de ambtenaar: een pijnlijke relatiebreuk die zijn normale functioneren in de weg staat. Het steeds ingewikkelder web van leugens leidt de ambtenaar onafwendbaar naar zijn ondergang.
Door de nadruk op de absurditeit van het paperassenbestaan bij een ontwikkelde overheid en de voortschrijdende waanzin van het personage heeft Stad van klei nog meer gemeen met het werk van Kafka dan met de politieke situatie in Egypte. Hulsing heeft met schilderwerk in zwart en verschillende zandtinten een gelukkige keuze gemaakt. Zijn stadsgezichten lijken niet alleen authentiek, maar getuigen ook van gevoel voor compositie. Zijn figuren zien er dan weer opvallend zwierig uit en roepen zo Ibicus van Pascal Rabaté op. Hulsing, die tot nog toe alleen korter werk had gemaakt, is een naam om te onthouden.
BRON: GERT MEESTERS; Knack-FOCUS; 23 maart 2011.
Stad van klei
Milan Hulsing
Oog&Blik & De Bezige Bij, 132 blz., euro 19,9