club over de betere volwassen strip

Striptekening.jpg

Deze club wil het vooroordeel wegwerken dat bestaat over strips en beeldromans. Een beeldroman of graphic novel is niets meer en niets minder dan een strip. U kent het wel, zo'n boekje met plaatjes en tekstballonnen. De term werd bedacht door de Amerikaanse stripmaker Will Eisner, die vond dat zijn boek "A Contract With God" (1978) meer weg had van een literaire roman dan van de Spider-Mans en Donald Ducks die de stripcultuur in zijn land domineerden. 

DAS_logo

Vandaar 'graphic novel', in het Nederlands te vertalen als beeldroman. Enigszins vreemd is het natuurlijk wel dat, wanneer we het hebben over strips met artistieke of literaire ambities, er meteen een andere, nogal pretentieuze, benaming nodig is. Natuurlijk is er een wereld van verschil tussen Art Spiegelmans Holocaustdrama "Maus" en Suske en Wiske, net zoals er een wereld van verschil is tussen "Citizen Kane" en "Rambo 3", maar dat verandert niets aan het feit dat ze tot hetzelfde medium behoren en dus eigenlijk geen aparte benaming zouden moeten hebben. We noemen Citizen Kane immers ook niet 'fotografisch drama' of iets dergelijks. Dit heeft alles te maken met de culturele status van de strip, die beduidend lager is dan die van de film. Hoe die culturele status zo laag komt is een vraag waaraan je flink wat academische proefschriften zou kunnen wijden maar het feit is dat vrijwel iedereen bij strips aan bobbie.gifkleurrijk infantiel vermaak denkt, en dat 'strips voor volwassenen' vooral associaties oproept met het soort lectuur dat men doorgaans in een discrete papieren zak meeneemt. Dat is trouwens niet verwonderlijk: de strip is nu eenmaal de laatbloeier onder de kunsten en het wordt daarom nooit helemaal serieus genomen. Dat is jammer, want de strip heeft veel te bieden: de strip is uniek in de manier waarop het zich van zowel woorden als beelden bedient die je, in tegenstelling tot een film, op je eigen tempo tot je neemt. Het feit dat je tegelijkertijd leest en beelden bekijkt maakt het lezen van een strip tot een unieke leeservaring, waarbij het woord en het beeld elkaar kunnen versterken, tegenspreken of op welke manier dan ook met elkaar spelen.

Bron: Remco Wetzels in Recensieweb

Breng ook een bezoekje aan mijn andere clubs: - Italia - Venus - Musica Antiqua - Kathedralenbouwers - Naakten in de Kunst - Kastelen & Vestingsteden - Het vergeten Rijk van de Inca's - Van Prehistorie tot Middeleeuwen

Stripwelkom.gif

Neem één plek, ergens in de VS. Stel er een camera op en laat die een paar miljoen jaar draaien. Met een selectie van de beelden knip en plak je, zonder de chronologie te volgen, een klassieker bij elkaar: Hier van Richard McGuire.
  

HIER van Richard McGuire

‘Als het beeldverhaal een toekomst wil hebben, zal het zich moeten verbinden met de wereld van de beeldende kunsten’, heb ik de Amerikaanse stripauteur Art Spiegelman ooit horen zeggen. Samen met zijn Franse vrouw Françoise Mouly gaf hij het goede voorbeeld. Van 1980 tot 1991 gaven ze samen het alternatieve stripblad Raw uit, waarin ze de grens met de kunstwereld opzochten. In het blad publiceerden ze werk van onder meer Jacques Tardi, Lorenzo Mattotti, Joost Swarte, Ever Meulen en Kamagurka & Herr Seele, met als feuilleton in het blad ook Spiegelmans later klassiek geworden striproman Maus. Maar het meest bevreemdende verhaal dat ooit in het blad stond, is van de hand van Richard McGuire (58). Die is vooral bekend als illustrator en als bassist bij de postpunkband Liquid Liquid. Maar hij maakt ook strips.
 

De werking van het geheugen

In 1989 publiceerde McGuire in Raw een verhaal van zes pagina’s, ‘Hier’: een blik op één kamer. Aan de hand van kleine fragmentjes, schijnbaar lukraak gekozen flarden van gebeurtenissen die ooit in die kamer hadden plaatsgevonden, verbeeldde hij het verstrijken van de tijd. In 36 zwart-witprenten gaf hij een heel eigen interpretatie aan het continuüm van ruimte en tijd. De verbanden in het verhaal worden pas gaandeweg duidelijk, soms zijn die niet meer dan associatief.

De befaamde stripauteur Chris Ware schreef over dat verhaal: ‘McGuires strip is geen lineaire weergave van het verstrijken van de tijd, maar belicht de werking van het geheugen en/of het leven, dat “boven” alle menselijke ervaring staat. Deze vernieuwing opent ook nieuwe stilistische wegen voor jonge stripmakers die zoeken naar sprekende manieren om uitdrukking te geven aan de complexiteit van het leven. En dat in een jammerlijk onderontwikkelde en commercieel gehandicapte verhalende kunstvorm.’
 

De tijd en het leven

Een kwarteeuw later publiceert McGuire een nieuwe, driehonderd bladzijden dikke versie van ‘Hier’, in vier kleuren. Het concept werkt nog beter dan bij het verhaal, en het is een stuk toegankelijker. Het boek blijkt ook rijker dan het verhaal: het gaat veel meer richtingen uit, en is tegelijk strakker en coherenter, omdat McGuire veel meer tijd neemt om verbanden te leggen en associaties uit te diepen.

Personages of verhaallijnen in de klassieke zin voert McGuire niet op. Maar als u zich wil laten verbazen, zelfs overrompelen, door een groot en breed verhaal over de tijd en het leven, dat het helemaal moet hebben van montage- en verteltechniek, dan mag u dit niet missen.

Hier is een boek als het leven zelf: de samenhang of de zin moet je er zelf maar in zien te in ontdekken. Als dat lukt, kan je er heel gelukkig van worden.
  

RICHARD MCGUIRE
Hier.
Oog & Blik/ De Bezige Bij, 304 blz., 29,90 €.
Oorspronkelijke titel: ‘Here’.

 

Bron: Toon Horsten, De Standaard, 6 November 2015.

Tussen 1658 en 1663 schreef John Milton (1608 - 1674) Paradise lost, een gedicht dat in 1667 gepubliceerd werd in maar liefst tien boeken. Het is de bijbelse geschiedenis van de engelen die in opstand komen tegen God en van de mens die uit het paradijs verdreven wordt nadat hij gegeten heeft van de verboden vrucht. In Nederland had Joost van den Vondel dezelfde stof al gebruikt voor een van zijn beste toneelstukken, Lucifer (1654). In 1664 schreef Vondel Adam in ballingschap.

 Een vroege Nederlandse vertaling van Milton trof ik hier aan, van de hand van J. van Zanten, 1728. In 1875 bracht de bekende dichter J.J.L. ten Kate Miltons werk in het Nederlands uit. Het is hier te downloaden.

Voor wie zich niet door duizenden regels in ouder Nederlands heen wil worstelen, is er nu een alternatief: de beeldroman die de Spaanse tekenaar Pablo Auladell maakte naar aanleiding van Paradise lost.

In 2010 begon hij ermee. Hij voltooide Satan, dat nu als eerste hoofdstuk (de eerste zang) te vinden is in Het paradijs verloren. Daarna lag het werk twee jaar stil. Toen pakte Auladell het weer op en tekende in drie jaar tijd de laatste drie hoofdstukken.

Het verhaal begint klassiek: met het aanroepen van de muze. We hebben dan al enkele bladzijden met afbeeldingen achter de rug: een engel, van wie we later te weten komen dat het Satan is, maakt zich los uit de omhelzing van een vrouw. Snel daarna tuimelt hij de onderwereld in en terwijl we luisteren naar hoe de dichter zijn muze aanroept, kijken we naar de mistroostige afbeeldingen van de hel: het is er kaal en donker.

De verteller is een mens die zich afvraagt: 'Waarom hebben onze voorouders zich van hun schepper afgewend? Wie heeft ze verleid tot die schandelijke ongehoorzaamheid tot het overtreden van zijn enige verbod?' Het antwoord is natuurlijk: Satan.

Auladell moet natuurlijk sober zijn met tekst. Hij heeft daarom veel over moeten slaan. Milton legde in het eerste boek ook nog uit wat zijn doel was: dat 'des Allerhoogsten weg, / Gehouden met den mens, gebillykt word.' (Vertaling Van Zanten). Dat God de mens uit het paradijs verdreven heeft (want daar loopt het natuurlijk op uit), is volgens Milton dus niet onrechtvaardig of onredelijk.

Bij Auladell wordt Satan wel de duivelse slang genoemd, maar als lezer (kijker) leef ik wel met hem mee. Hij mobiliseert de andere gevallen engelen en gaat zelf op pad om wraak te nemen: hij zal de mens ten val brengen. Misschien dat die sympathie gemakkelijk opgeroepen wordt doordat je meeleeft met iemand die naar iets hogers streeft.

Bij Vondel is de mens de aanleiding tot de val: die wekt de jaloezie van sommige engelen op. De mens is in een prachtig paradijs geplaatst en bovenal: de mens is met zijn tweeën en kan zich dus voortplanten. Milton plaatst de val van de engelen voor de schepping van de aarde. De verleiding van de mens moet God treffen. Dat houdt Beëlzebub de andere gevallen engelen voor.
We zullen genieten van zijn ontzetting wanneer hij ziet dat zijn geliefde kinderen zich in de hel storten om samen met ons te lijden.
Satan zal zelf de taak op zich nemen de mensen over te halen. Hij zoekt de poorten van de hel op, om bij de aarde te komen. Daar ontmoet hij de dood, die hij zelf verwekt blijkt te hebben.

Ondertussen heeft men er in de hemel lucht van gekregen dat er wat broeit in de onderwereld. Satan heeft Eva al een keer gestoord in haar slaap, wat haar onrustig heeft gemaakt. God stuurt Rafaël naar de mensen om hen te waarschuwen. Uitgebreid vertelt die aan de mensen wat er gebeurd is met de engelen die ongehoorzaam waren en hoe de strijd van de hemelse legers verliep. Ook hierin verschilt Milton van Vondel. Bij Vondel spelen de mensen op de achtergrond mee, maar ze worden geen personages. Pas in Adam in ballingschap bekijken we ze van dichterbij. Bij Milton leven we met de mensen mee. Dan kantelt ook onze sympathie.

In het begin  van het boek leven we mee met Satan, de verworpene die een hoge gooi gaat doen. Maar zo gauw we als lezer meekijken in het paradijs, hopen we toch dat Eva bestand zal zijn tegen de verleidingen van Satan. Of ligt dat niet aan het verhaal van Milton, maar aan mijn opvoeding met de (kinder)bijbel? Ik wil het niet uitsluiten. Ook met Adam kunnen we ons gemakkelijk vereenzelvigen: hij eet, omdat hij bij Eva wil blijven.

Mineke Schipper schreef boeken over de schepping van de mens en over Adam en Eva.  Ze vergelijkt de verschillende paradijsverhalen van het jodendom, het christendom en de islam. In de Bijbel lezen we dat Eva van de verboden vrucht at en daarna haar man ervan te eten gaf, waarmee ze hun ondergang bewerkstelligde. Maar wat voor vrucht was dat?

Auladell laat Eva een appel eten, waarmee hij aansluit bij een traditie. In de Bijbel is niets te lezen over de aard van de vrucht. Buiten de Bijbel zijn er verhalen waarin de boom een vijg is. Als Adam en Eva gezondigd hebben, merken ze dat ze naakt zijn en willen ze zich bedekken. Er is een verhaal waarin de bomen weigeren hun bladeren daartoe af te staan. Alleen de vijg, waarvan de mensen gegeten hebben, stelt zijn blad ter beschikking.

Mogelijk heeft het vijgenblad niet te maken met de boom der kennis, maar is het het blad dat 'de vijg' moet bedekken. In het Italiaans is 'figa' nog steeds een vulgaire benaming voor het vrouwelijk geslachtsdeel (en daarmee soms voor de vrouw).

Als de mens ongehoorzaam is geworden aan God, gaat het snel: Satan verandert in een duivel en de mens moet het paradijs uit. Wel is er nog de belofte van een hernieuwd verbond met God.

Het verhaal van de zondeval blijft intrigerend, in welke variant je het ook leest en Auladell heeft er prachtige tekeningen bij gemaakt. De gevallen engelen zijn sober getekend. Zo hebben ze bijvoorbeeld geen haar. Ze zijn herkenbaar aan hun attributen: Satan heeft een hoed met een bloemenkrans op en Beëlzebub draagt een stierenkop.

Ook het kleurgebruik is zeer ingehouden. Zwartwit is de basis en daarbij wordt een steunkleur gebruikt. Soms is die zacht sepia, soms kopergroen, bij de scènes die verwijzen naar de hemel is er een kleur die neigt naar turquoise. Als God spreekt, hebben ook de tekstballonnen  de 'hemelkleur'. In sommige scènes worden twee steunkleuren gebruikt.

Auladell schrijft dat hij zich in de loop der jaren als tekenaar heeft ontwikkeld, maar dat hij toch het vroege deel van het boek heeft gehandhaafd:
Ik dacht dat het misschien wel mooi was om mijn ontwikkeling en alle littekens onopgesmukt te laten zien: het aarzelende begin, de beste pagina's, de pentimenti en de missers.Een boek als getuigenis van de vooruitgang en de mislukkingen van de afgelopen jaren.
Met die missers valt het wel mee, lijkt me. Wel zie je dat Auladell het voor elkaar krijgt om in de loop van het boek meer expressie mee te geven met de gezichten, terwijl ze toch ingetogen blijven. In de vormgeving van de mensfiguren (hun houdingen, de stand van het hoofd) sluit hij aan bij schilderijen uit de late Middeleeuwen en tegelijkertijd is zij vintage Auladell.

De sobere tekeningen ondersteunen het krachtige verhaal en staan het zeker niet in de weg. Toch is het niet alleen het verhaal dat ons bijblijft. Nooit meer zullen we het paradijsverhaal kunnen lezen zonder daarbij voor onze ogen de tekeningen van Auladell te zien.

Auteur: Pablo Auladell
Titel: Het paradijs verloren van John Milton
Uitgeverij: Sherpa
Vertaling: Hendrik Hutter
gebonden, leeslint, 316 blz. € 39,95

 Bron: Teunis Bunt, Bunt Blogt (http://teunisbunt.blogspot.be)

SMC-De-beeldhouwer-cover-NL.png

Met 'De beeldhouwer' heeft de Amerikaanse striptheoreticus en -auteur Scott McCloud een klein meesterwerkje afgeleverd. In deze bijna 500 pagina's tellende graphic novel verpakt hij op originele wijze thema's als leven, liefde, dood, superhelden en -vooral- gewone mensen. Cobra.be sprak met hem.

SCOTT MCCLOUD OVER 'DE BEELDHOUWER' - video

"Er stond veel op het spel," zegt de Amerikaanse striptheoreticus en -auteur Scott McCloud aan Cobra.be. "Niemand die meer bekritiseerd zou worden dan ik, wanneer ik de bal zou hebben misgeslagen." Onderwerp van het gesprek is ‘De Beeldhouwer’, een graphic novel van bijna vijfhonderd pagina's over een jonge artiest, de liefde, de dood en het leven. In De Verenigde Staten werd het boek lyrisch ontvangen. “De beste graphic novel die ik in jaren heb gelezen,” bekende de gerenommeerde bestseller-auteur Neil Gaiman. Uiteraard kon de Nederlandse uitgever deze quote niet snel genoeg op de cover plaatsen. En terecht. ‘De Beeldhouwer’ is een pracht van een beeldroman geworden.

Het verhaal gaat over een jonge beeldhouwer uit New York City die zijn geluk lijkt opgesoupeerd te hebben. Hij zit volkomen aan de grond. Artistiek, relationeel en financieel. Hij sluit een pact met De Dood. Hierdoor krijgt hij superkrachten die hem in staat stellen in sneltempo het soort kunst te maken waarvan hij droomt, maar tegelijkertijd moet hij leren leven met de idee dat hij nog maar tweehonderd dagen te leven heeft. Net dan ontmoet hij de vrouw van zijn dromen …

McCloud haalde de inspiratie voor ‘De beeldhouwer’ min of meer uit zijn eigen (jonge) leven. "Ik was vroeger als artiest ook wat geïsoleerd, antisociaal, egocentrisch,… Ik was een beetje een eenzaat, tot die ene vrouw me kwam redden." De vrouw uit ‘De beeldhouwer’, Meg, is dan ook gebaseerd op zijn eigen vrouw. "Aan haar heb ik ontzettend veel te danken," zegt de Amerikaan gemeend.

8849c6b9541b724e02c0526fb92e4d5b.jpg

Oud idee

Scott McCloud was een eind in de twintig, toen het verhaal zijn hoofd binnendruppelde. Meer dan een kwarteeuw later –hij is nu 54- kon hij het verhaal eindelijk aan het witte vel toevertrouwen. "Deels omdat ik erg traag ben," zegt hij, "maar anderzijds ook omdat ik twijfelde. Er zat namelijk een superheld-element in het verhaal waarvan ik niet zeker wist hoe ik dat in goede banen moest leiden. De sleutel bestond erin een collaboratie aan te gaan tussen mijn jonge ik, die het verhaal bedacht, en mijn veel oudere ik, die het kon tekenen."

De schrik om door critici te worden neergesabeld, zat er in en heeft ongetwijfeld met 's mans verleden te maken. McCloud sprak zich als striptheoreticus vaak uit over het niveau van de Amerikaanse strip. Wereldberoemd werd hij met drie getekende verslagen van zijn meningen en observaties, waarvan ‘Understanding Comics’ uit 1993 de belangrijkste was. Beroemde auteurs als Matt Groening, Art Spiegelman en Jim Lee omschreven het als een uniek en opwindend boek, handig vermomd als een makkelijk te lezen beeldroman.

‘De beeldhouwer’ telt bijna 500 pagina’s. Dat is typisch Amerikaans, maar er is nog een andere reden: "Ook al gaat het dan om een verhaal over grote gebaren en grote ideeën, het blijft zich afspelen op een kleinere schaal, met twee geliefden in de hoofdrol. Ik wil die kleine momenten tussen de personages tonen. Elke emotie krijgt haar eigen plaatje. Dat neemt veel plaats en tijd in beslag. En zo kan het zijn dat je veertig pagina's doet over één enkele conversatie."  Kunst, liefde, dromen, de dood en superhelden… McCloud slaagt erin ze samen te brengen in wat nu al de beste graphic novel van het jaar is.

Bron: cobra.be

‘De beeldhouwer’ verscheen bij Scratch in zowel softcover als hardcover (met leeslintje)

arabier_van_de_toekomst_cover.jpg

In 'De Arabier van de toekomst' schetst de Frans-Syrische auteur Riad Sattouf het levensverhaal van zijn vader. De beeldroman werd op het stripfestival van Angoulême bekroond met de prijs voor beste album. In Frankrijk gingen er al meer dan 150.000 exemplaren over de toonbank. De Geus brengt nu ook een Nederlandstalige versie uit.

Het is pure wrok die Abdel-Razak, de Syrische vader van auteur Riad Sattouf, naar Libië doet verhuizen. Afgestudeerd aan de Sorbonne hoopt hij met zijn proefschrift over de moderne geschiedenis (om precies te zijn: 'De Franse publieke opinie over Engeland: 1912-1914') op de zogenaamde 'félicitations du jury', de hoogste onderscheiding bij een Franse doctoraatspromotie. Maar tot zijn grote ontgoocheling blijft het bij 'met lof'.

Dat dit proefschrift deel uitmaakt van de academische obsessie van zijn vader, is al aan het begin van dit verhaal duidelijk. Vader Sattouf moest en zou 'doctor' worden. Maar zijn hoop en verlangen slaan snel om in verbittering. Hij weigert een assistentschap aan de universiteit van Oxford, omdat hij docent kan worden in Tripoli, waar hij zonder medeweten van zijn vrouw heeft gesolliciteerd. "Kijk, op de envelop," roept hij kinderlijk enthousiast, “Doctor Abdel-Razak Sattouf!”

Vier pagina's later al trekt hij met vrouw en kind naar Libië. De man wordt in eerste instantie door zijn zoon en auteur van dit boek een "echte pan-Arabist" genoemd. "Hij was geobsedeerd door de ontwikkelingen van de Arabieren," schrijft Riad, "hij dacht dat de Arabieren zich met voldoende onderwijs wel aan het religieus obscurantisme zouden weten te ontworstelen."

Dat blijkt niet meteen het geval, maar het houdt vader Sattouf niet tegen zijn jeugdherinneringen te herbeleven in Libië. Vrouw en kind hebben hun bedenkingen over de manier waarop dat land omgaat met zijn burgers, alsook met de religieuze en culturele verschillen. Enkele jaren later trekt het gezin naar Syrië, waar Abdel-Razak Sattouf aan de slag gaat als hoofdassistentaan een universiteit ("Alle andere posities waren al bezet door mensen met de juiste connecties."). Het is op dat moment zeventien jaar geleden dat hij voor het laatst in Syrië geweest is, en ook in dat land heeft de tijd niet stilgestaan, zo zal snel blijken.

Gedwee

Het Syrische luik is meteen het interessantste hoofdstuk van deze beeldroman. De inkijk in de andere cultuur wordt er nog beter, nog gedetailleerder in uitgewerkt. In Maleeh, op 7 kilometer van Homs, rijden de mannen als gekken, staan overal borden met de beeltenis van Assad. De stad waar ze wonen, ligt barstensvol opvliegende plastic zakken, de plaatselijke rivier is zwart en blijkt een openbaar riool ("Toen ik klein was, zwommen we hier," aldus vader Sattouf) en in stad zelf valt een lichte strontlucht waar te nemen. Het doet Sattoufs moeder lachen: "De mensen laten hun honden zelfs hier op straat kakken, net als in Frankrijk," zegt ze. Haar man reageert geïrriteerd dat er in Syrië geen honden zijn. “In Frankrijk zijn de baasjes zelfs de hond van hun hond,” reageert hij geagiteerd. Op de vraag wat hij bedoelt, herpakt hij zich: “Pff, wat maakt het uit? Je moet er gewoon niet op letten.” Later zal blijken dat de uitwerpselen afkomstig zijn van de kinderen van het dorp.

Steeds vaker laat papa Sattouf zulke opmerkingen vallen, en nog vaker mijmert hij op naïeve wijze over de dag dat hij multimiljonair zal worden en zijn luxevilla zal bouwen. Hij springt thuis meteen van zijn maatpak van de universiteit  in een djellaba en wil dat zijn zoon Arabisch leert en naar een Arabische school gaat.

Terwijl hij vroeger Arabieren verweet oogkleppen op te hebben, sluit hij zelf de ogen voor de mistoestanden in Syrië. Wanneer zijn vrouw opmerkt dat de rekken in de winkels volledig leeg zijn, ziet hij het optimistisch: "Syrië is een bondgenoot van de USSR. Zodra de communisten de kapitalisten hebben verslagen, liggen de schappen weer vol." Kritisch is hij amper nog: "Waarom zou je christen willen zijn in een islamitisch land? Dat is pure provocatie. Als je in een islamitisch land woont, gedraag je je als een moslim. Zo moeilijk is dat niet: bekeer je en er is niets aan de hand."

Het zijn de eerste tekenen aan de wand. In Frankrijk bad vader Sattouf niet eens en at hij varkensvlees. En hoewel hij nog steeds aangeeft niet gelovig of religieus te zijn, verdedigt hij plots de soennieten door dik en dun. Net als het beleid in Syrië, overigens. Hij geeft geen kik, wanneer een in Homs verkocht exemplaar van Paris Match gecensureerd is met dikke viltstiften en de pagina's die van ver en dichtbij over politiek gaan, eruit  zijn gescheurd. De talloze lijken van criminelen die in de hoofdstad dagen opgehangen blijven, verdedigt hij met de opmerking dat ze zo een goed voorbeeld stellen en de mensen zo rustig en gehoorzaam houden. Dat de brieven vanuit Frankrijk maar niet aankomen, omdat ze eerst door de censor moeten gelezen worden, vindt hij blijkbaar ook niet zo'n probleem. Langzaam maar zeker duwt hij ook zijn vrouw weg.

De rol van Sattoufs moeder blijft echter eerder onderbelicht. Ze volgt haar man gedwee. Het lijkt alsof ze niet een keer ingaat tegen haar man en hem de beslissingen voor het hele gezin laat nemen. Riad merkt in het boek ook maar één keer op dat zijn moeder er steeds vermoeider begint uit te zien, maar de eerste onherstelbare barsten in het huwelijk zijn een feit, ook al zal het gezin later dan toch terugkeren naar Frankrijk.

Nervositeit

Auteur Riad Sattouf heeft heel wat watertjes doorzwommen. Hij had tot voor kort een wekelijkse strip in Charlie Hebdo, won in 2010 in Angoulême ook al de prijs voor het beste album met zijn rebelse strip 'Pascale Brutal' en ontving in datzelfde jaar als cineast de César voor beste film voor 'Les Beaux Gosses'. 'De Arabier van de toekomst' is zijn grote doorbraak als stripauteur van de literaire beeldroman.

Hoe interessant dit boek ook is, ‘Persepolis’, het boek van de Iraanse Marjane Satrapi over haar jeugd en leven in Iran, had meer om het lijf. Het feit dat Satrapi ouder was en haar pad langsheen haar opleiding, cultuurverschillen en zelfs seksualiteit voerde, gaf haar als auteur meer draagkracht om het verhaal van zichzelf en dat van Iran te vertellen. Auteur Riad Sattouf is in ‘De Arabier van de toekomst’ misschien vijf of zes jaar. Zijn inbreng beperkt zich tot louter observatie, en dan nog kun je je de vraag stellen hoezeer hij nu, halverwege de dertig, een authentiek beroep kon doen op die prille herinneringen.

Uiteraard wordt ‘De Arabier van de toekomst’ net iets kritischer onder de loep gelegd. Dat is nu eenmaal het lot van het beste album in Angoulême, Europa's grootste en bekendste stripfestival. ‘De Arabier van de toekomst’ is zeker geen slecht album, maar Sattoufs verhaaltje kabbelt zonder veel emoties, humor of avontuur. In plaats daarvan geeft hij een inkijk in de cultuur van twee landen. En, veel interessanter, in zijn vaders hoofd, die met het ene been in de Franse cultuur en met het andere in de cultuur van zijn jeugd staat. Het is vooral die aanpak die veel lof verdient. Daarin schuilt de echte kracht van deze beeldroman.

Waarom dit boek alleen al in Frankrijk 150.000 exemplaren verkocht, is wellicht te danken aan de actualiteit van vandaag: Syrië, de islam, het fundamentalisme, radicalisering,… Het feit is ook dat we die cultuur moeilijk begrijpen en dat een beeldroman als dit op heldere wijze inzicht verschaft. In dat opzicht is dit een erg interessant boek dat bovendien toont hoe die cultuur een gigantische impact heeft op de mens. In dit specifieke geval hoezeer een man met een westerse houding 'radicaliseert' en  zijn vrouw plots in een onderdanige, zelfs minderwaardige positie drukt. Toch moet hier opgemerkt worden dat Sattouf niet de islamcultuur van vandaag verbeeldt, maar die tussen 1978 en 1984. Momenteel werkt hij wel aan een vervolg op dit succesboek.

'De Arabier van de toekomst' is een boek dat gaandeweg – en dit is een compliment – steeds ongemakkelijker leest. Gewoonweg omdat de cultuur, het bijgeloof, de religieuze invloed op de samenleving en de manier waarop mensen er met elkaar opgaan, je als westerling ongelooflijk nerveus maken. Wanneer je er als auteur in slaagt zowel afschuw als begrip op te brengen voor de keuzes van het hoofdpersonage – Riads vader – heb je een geslaagd boek afgeleverd. Een uitgave die, net als ‘Persepolis’, niet enkel de stripliefhebber zal plezieren, maar eenieder die op compacte wijze de cultuur van het (vroegere) Midden Oosten wil begrijpen.

Bron: Geert De Weyer, cobra.be 

‘De Arabier van de toekomst’ – Riad Sattouf. Uitgeverij De Geus, 160 pagina's.

Hubert, het hoofdpersonage van het indrukwekkende debuut van Ben Gijsemans, is een man die naar schilderijen kijkt. Urenlang. De Franse uitgeverij Dargaud en het Britse Jonathan Cape zijn zo onder de indruk dat ze Hubert prompt willen vertalen.

Alles begon twee jaar geleden, in de zomer dat Ben Gijsemans (25) was afgestudeerd aan de academie in Gent, waar hij animatiefilm volgde. Hij had een exemplaar op de kop getikt van De kroeg van groot verdriet van Marnix Gijsen. ‘Fantastisch vond ik dat boek, ik las het drie keer na elkaar. Gijsen vertelt over een man die heel weinig om handen heeft, elke dag om elf uur op café gaat zitten om zijn krant te lezen, terwijl hij luistert naar de vaste tooghangers. Hij is een simpele man, die weinig grootse dingen heeft meegemaakt, en toch hield dat boek me van begin tot einde vast. Omdat die man me zo fascineerde.’

Toen Gijsemans niet veel later een masteropleiding beeldverhaal ging volgen aan Sint-Lukas in Brussel, putte hij inspiratie uit het boek. ‘Ik wilde ook zo’n sterk personage neerzetten, een personage dat de lezer meteen bij zijn nekvel zou grijpen, dat vragen oproept. Iemand die aanvankelijk vooral naar schilderijen kijkt, terwijl de lezer pas na een tijdje in de gaten krijgt dat er meer aan de hand is. Al meteen kregen we van onze docenten de opdracht een pitch te maken voor een strip, een soort synopsis. Het moest over een introverte man van middelbare leeftijd gaan, vond ik. Aangespoord door de docenten bouwde ik mijn verhaal verder uit, en ik besteedde vooral aan het schrijven veel aandacht. De beelden kwamen later pas.’

‘Ik ben geen schrijver, dus vanzelfsprekend was dat niet. Maar ik heb er ontzettend hard aan gewerkt – omdat ik voelde dat ik daarmee het verschil kon maken. In de jaren daarvoor, tijdens mijn opleiding animatiefilm, had ik voluit kunnen experimenteren. Toegankelijkheid was daarbij het minste van mijn zorgen. Toen ik aan Hubert begon, wilde ik iets maken dat potentieel een breder publiek zou kunnen bereiken.’

S1448%20HUBERT.jpg?itok=5V2aPjOM

Olieverf

Met het uitgewerkte script en de volledig afgewerkte eerste drie hoofdstukken van het boek, studeerde Gijsemans met trommels en trompetten af. Zowel de juryleden als zijn docenten spoorden hem aan om het verhaal af te werken. Ze hadden overschot van gelijk. Nu is het boek klaar. Al tekende Gijsemans ondertussen mee aan de animatiefilm Phantom Boy (van de makers vanVan de kat geen kwaad) en aan een filmproject van kunstenaar Hans Op de Beeck. Om den brode, maar ook omdat hij het graag doet. Al ziet hij ondertussen wel de voordelen van het beeldverhaal. ‘Wat me zo aanspreekt bij een strip, is dat je je eigen ideeën vorm kunt geven. Natuurlijk vraag ik wel eens feedback van mensen, en dat helpt me altijd, maar jij bent als maker de man die alle touwtjes in handen houdt. Als je een film of animatiefilm maakt, moet je er andere mensen bij betrekken. Ik heb het gevoel dat ik nu genoeg métier heb, om op eigen benen te kunnen staan. Een strip maakt dat mogelijk.’

Dat schilderijen en musea zo’n belangrijke rol spelen in Hubert (het museum wordt bijna een personage), is geen toeval. ‘Ik zal altijd blijven schilderen, zoals ik ook altijd naar schilderijen zal blijven kijken. Ik heb Hubert grotendeels in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel geschreven. Omdat het boek zich in het museum afspeelt, kwam ik zo onrechtstreeks weer in aanraking met de schilderkunst. Was dat niet gebeurd, dan zou ik wellicht zelf wel weer aan het schilderen geslagen zijn. Ik werk vooral graag met olieverf. Als ik te lang strips maak of aan een animatiefilm werk, voel ik dat ik het nodig heb om te schilderen.’

HUBERT_hoofdstuk1-3_7.jpg

Stalker

Gijsemans liep in het museum ook zijn hoofdpersonage tegen het lijf. ‘Ik had min of meer een vaste plaats, met zicht over de grote inkomhal. Als ik iemand zag voorbijlopen die ik zou kunnen gebruiken voor het boek, dan nam ik een foto. Op een zeker moment, toen het karakter van mijn hoofdpersonage al vorm had gekregen, zag ik een man rondstappen in wie ik meteen Hubert herkende. Zó moest hij eruitzien. Ik begon die man te filmen tot mijn geheugenkaart vol was. Hij deed precies wat Hubert zou doen. Hij bleef een eeuwigheid naar een schilderij kijken, zette een stapje opzij, wisselde van bril, en ging op de details in. Ik volgde hem een hele tijd, als een stalker, en besliste meteen dat ik me op hem zou inspireren voor het uiterlijk van Hubert, om hem op die manier geloofwaardig te krijgen. Ik denk niet dat die man zich uiteindelijk zal herkennen in de figuur, want ik heb dingen gewijzigd, maar de basis ligt bij hem.’

Hubert valt te lezen als een parabel over de relatie tussen kunst en werkelijkheid. ‘Toen ik mijn eerste pitch voor het project maakte, realiseerde ik me dat het personage troost vindt in een vorm van escapisme. Hij haalt zingeving uit de schilderkunst, terwijl de rest van de wereld vrij beangstigend op hem overkomt. Het verhaal speelt zich in Brussel af, en het leven in de grootstad heeft grote invloed op hem. Hij functioneert er niet goed in. Daarom breek ik in het boek één keer uit het kader, en heb ik een grote tekening van twee pagina’s gemaakt die de hectiek die de stad voor hem heeft, met al die honderden indrukken tegelijkertijd, in één beeld moet vatten. Het is de schilderkunst, met telkens één beeld binnen één kader, die hem de orde en het overzicht biedt die hij zo nodig heeft.’

BEN GIJSEMANS - Hubert.
Oogachtend, 88 blz., 19 €. 

  

Bron: Toon Horsten; De Standaard

scan082.jpg

Het zou oneerlijk zijn om Aimée de Jongh een belofte te noemen. Hoewel ze de weg van twintig naar dertig jaar pas halverwege heeft afgelegd, heeft ze al ruimschoots bewezen wat ze kan: de lezers van Metro lezen haar strookstripje Snippers en wie haar afstudeerfilm One past two niet kent, moet die maar gauw op internet gaan opzoeken en dan zal het duidelijk zijn: De Jongh is een gerijpt striptekenaar en animator.

Het maken van een grote beeldroman stond nog altijd op haar verlanglijstje. Nu De terugkeer van de wespendief verschenen is, kan ze ook dat afvinken. Centraal in het verhaal staat Simon, een wat tobberige man. Hij heeft uit plichtsgevoel het boekhandeltje van zijn vader overgenomen, maar de zaak dreigt ten onder te gaan. Hij krijgt een bod, maar daar wil hij niet op ingaan. Het plichtsgevoel, immers.

De opslag van de boeken bevindt zich in een boshuis, dat ook een soort bunker is, waarin Simon zich kan terugtrekken: de buitenwereld bestaat dan niet meer. Hij is er alleen met zijn boeken. En met zijn binnenwereld. Die plaatst hem terug naar zijn schooltijd, waar hij het enige vriendje was van het gepeste jongetje Ralph. Ralph wil daar voor eens en voor altijd een eind aan maken, maar voor hij daartoe kan komen, vindt hij de dood.

Als Simon dan ook nog eens getuige is van de zelfmoord van een vrouw, die op de rails gaat staan, is alles in hem omgewoeld. Hij voelt zich schuldig: had hij de dood van Ralph en van de vrouw niet kunnen voorkomen?

scan083.jpg

Gelukkig is er het meisje Regina, dat hem om hulp vraagt, omdat ze voor Nederlands een werkstuk moet maken over magisch realistische schrijvers. Het magisch realisme is De Jongh niet vreemd. Haar film One past two is een variant op De laatste trein van Johan Daisne en ook in De terugkeer van de wespendief neemt het verhaal een wending die boven de aardse logica uit gaat.

Dat had De Jongh er niet zo dik bovenop hoeven te leggen. Met dat werkstuk krijgen we al een flinke por in de ribben en aan het eind van het boek houdt Simon ook nog eens het boek Magisch Realisme in de literatuur en schilderkunst in handen. Ook Nabokovs Lolita, overigens en dat is ronduit grappig: broeierig wordt het tussen Simon en Regina nergens.

Ook zonder de duidelijke hints had de lezer wel begrepen dat er ‘iets’ met Regina is: aan het eind van een gesprek met Simon is ze plotseling verdwenen en ze is ook erg wijs voor haar leeftijd.

De terugkeer van de wespendief is een troostrijk boek. Het gaat over de mogelijkheid om opnieuw te kiezen en opnieuw te beginnen. Zoals de wespendief -een havikachtige vogel-, die een nieuw leven begint als zijn partner niet terugkomt. Aan het verleden is niets te veranderen, maar je hoeft niet altijd de last van je verleden met je mee te sjouwen.

Aan het eind van het boek draait Simon de deur van het boshuis op slot. Daarmee zet hij ook een punt achter de boekhandel. Hij voelt zich niet meer gebonden aan de belofte aan zijn vader.

scan085.jpg

Het lijkt erop dat er, wat de boeken betreft, meer meespeelt. Als kind al verstopte Simon zich tussen de boeken op de dag dat zijn vriend Ralph omkwam, en het wegduiken in zijn vogelgids was misschien ook wel een manier om zich te onttrekken aan het dagelijkse leven.

Ook de boeken in het boshuis voeden Simons escapisme. Door de boeken worden zijn herinneringen wakker geroepen. Dat zijn niet alleen maar prettige herinneringen, maar ze voeren hem wel weg van het heden, waarin het faillissement dreigt.

Op het moment dat Simon het boshuis afsluit, sluit hij een ontsnappingsroute. Hij kijkt naar zijn vrouw en naar de toekomst die ze samen in gaan. Hij loopt niet meer voor het leven weg

Aimée de Jongh heeft in de De terugkeer van de wespendief geen gebruik gemaakt van kleur: alle tekeningen zijn met inkt, in zwart-wit. Karakteristiek voor De Jongh is dat de ogen getekend zijn met ‘drijvende’ pupillen, zonder dat de iris getekend is.

Een enkele keer is het perspectief niet helemaal gelukt: bij het een blik van bovenaf, worden personen soms wel erg kort en soms heeft De Jongh de ruimte vergroot (in een klaslokaal, in een auto) om wat beter uit de voeten kunnen.  Maar eigenlijk gaat het daar niet om.

Alle nadruk ligt op de verhaallijn en De Jongh weet het verhaal goed te vertellen. Het kost je geen enkele moeite om je mee te laten slepen met het verhaal en je te identificeren met Simon. De helderheid die De Jongh altijd in haar tekeningen brengt, heeft ze ook in haar manier van vertellen. Die helderheid doet trouwens niets af aan de gelaagdheid van het verhaal. Na het lezen van deze beeldroman, blijven de wespendieven nog lang boven je cirkelen.

 

Bron Teunis Bunt; http://www.literairnederland.nl. 

Aimée de Jongh - De terugkeer van de wespendief 

Uitgeverij Oog & Blik / De Bezige Bij (2014)

Aantal pagina’s:  160 - Prijs: € 24,90

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: