
Deze club wil het vooroordeel wegwerken dat bestaat over strips en beeldromans. Een beeldroman of graphic novel is niets meer en niets minder dan een strip. U kent het wel, zo'n boekje met plaatjes en tekstballonnen. De term werd bedacht door de Amerikaanse stripmaker Will Eisner, die vond dat zijn boek "A Contract With God" (1978) meer weg had van een literaire roman dan van de Spider-Mans en Donald Ducks die de stripcultuur in zijn land domineerden.

Vandaar 'graphic novel', in het Nederlands te vertalen als beeldroman. Enigszins vreemd is het natuurlijk wel dat, wanneer we het hebben over strips met artistieke of literaire ambities, er meteen een andere, nogal pretentieuze, benaming nodig is. Natuurlijk is er een wereld van verschil tussen Art Spiegelmans Holocaustdrama "Maus" en Suske en Wiske, net zoals er een wereld van verschil is tussen "Citizen Kane" en "Rambo 3", maar dat verandert niets aan het feit dat ze tot hetzelfde medium behoren en dus eigenlijk geen aparte benaming zouden moeten hebben. We noemen Citizen Kane immers ook niet 'fotografisch drama' of iets dergelijks. Dit heeft alles te maken met de culturele status van de strip, die beduidend lager is dan die van de film. Hoe die culturele status zo laag komt is een vraag waaraan je flink wat academische proefschriften zou kunnen wijden maar het feit is dat vrijwel iedereen bij strips aan
kleurrijk infantiel vermaak denkt, en dat 'strips voor volwassenen' vooral associaties oproept met het soort lectuur dat men doorgaans in een discrete papieren zak meeneemt. Dat is trouwens niet verwonderlijk: de strip is nu eenmaal de laatbloeier onder de kunsten en het wordt daarom nooit helemaal serieus genomen. Dat is jammer, want de strip heeft veel te bieden: de strip is uniek in de manier waarop het zich van zowel woorden als beelden bedient die je, in tegenstelling tot een film, op je eigen tempo tot je neemt. Het feit dat je tegelijkertijd leest en beelden bekijkt maakt het lezen van een strip tot een unieke leeservaring, waarbij het woord en het beeld elkaar kunnen versterken, tegenspreken of op welke manier dan ook met elkaar spelen.
Breng ook een bezoekje aan mijn andere clubs: - Italia - Venus - Musica Antiqua - Kathedralenbouwers - Naakten in de Kunst - Kastelen & Vestingsteden - Het vergeten Rijk van de Inca's - Van Prehistorie tot Middeleeuwen


Schoonheid. Schoonheid is alles wat telt voor Leon Van Bel. De machinist-onderhoudsmonteur koestert zijn razendsnelle stoomlocomotief tot in het absurde. Maar het einde van een tijdperk nadert. Om onverklaarbare redenen stijgt het water in het hele land en steeds meer spoorlijnen raken overstroomd. De autoriteiten zetten alles op alles en investeren massaal in een onzekere nieuwe technologie, de kabelbaan. Al snel worden zowel personen als goederen door de lucht vervoerd. De spoorwegen zijn dood, en worden opgedoekt. Metaaldieven stelen als raven de laatste treinonderdelen. Leon Van Bel kan het niet langer aanzien en vlucht met zijn stoomlocomotief 12.004 richting nergens.
Het nieuwe album van Castermans paradepaardje François Schuiten werd gelanceerd met een nooit geziene persdag. Een uitgebreid verslag met exclusief interview lees je hier. Zelden was die persontmoeting ook zo nodig. Het verhaal van Schoonheid is immers dunnetjes. Er is Leon, er is een knappe danseres en er is een schroothandelaar — een mooie cameo van filmregisseur Jaco Van Dormael. Samen proberen ze hun eigen erfgoed te bewaren, parallel naast de opkomende technologie. En zoals verwacht — of had je het toch anders gedacht? — slagen ze in hun opdracht. Maar toch is Schoonheid de beste Schuiten in vele jaren. Eindelijk voel je nog eens dat Schuiten opgaat in zijn onderwerp. De impressionante stoomlocomotief steelt de show. Krachtig en erotisch. Dit is duidelijk pure liefde.

Toen medio april 2012 de 12.004 onder fel flitslicht werd binnengereden, begrepen we Schuiten. Zelden hebben we een mooier en grootser stukske staal gezien. Maar het was pas toen de glunderende Brusselaar zelf naast de twee meter hoge aandrijfwielen poseerde, dat het plaatje klopte. Mens en machine zijn er in perfecte symbiose. Zo bouwt Schuiten ook zijn tekeningen op. Zwaar aangezet kiest hij voor duizelingwekkende diagonalen, wisselende beeldcontrasten en standpunten. Maar steeds is er diezelfde afstand, alsof alles gefilmd is met diezelfde 50 mm-lens. Dit is geen architecturaal kunstje. Dit is een perfecte weergave van een nietige koesterende mens tegenover een reusachtig stalen monster dat niet te vatten valt in kleine kaders. Hoe sterk de pagina's met de 12.004 ook zijn, hoe luchtig de pagina's met die onbenullige kabelbaan uitvallen. Het doet de strip in twee ongelijke delen uiteenvallen. Aarde en lucht. Een ijzeren verhaal en wat zweverig gedoe. Deze ongelijke strijd maakt van Schoonheid helaas niet het meest evenwichtige Schuiten-verhaal. Maar ach, we malen er eigenlijk niet om. We hebben eindelijk pure schoonheid ontdekt en gezien. Verrassend genoeg was het een oude stoomtrein.
Noot 1: De binnenflap van het album is gezegend met een fijn extraatje. Houd de postkaarttekening van het rangeerstation voor het oog van je webcam en de 12.004 komt voor je tot leven in een prachtige 3D-animatie. Doen!
Noot 2: Volgend jaar wordt de 12.004 het paradepaardje van een nieuw treinmuseum in Schaarbeek. Deze Train World werd volledig vormgegeven door François Schuiten zelf.
Interview met Schuiten op Cobra
SCHOONHEID
Auteur: François Schuiten
Uitgever: Casterman
Specificaties: 88 p.; € 18,00 (HC)
Bron: WOUTER PORTEMAN; Stripspeciaalzaak.be; april 2012
Andere strips van François Schuiten:
• De Duistere Steden
• De Holle Aarde
• De Poorten naar het Onmogelijke
• Metamorfoses
‘De Avonturen van Hergé’ brengt de biografie van de schepper van Kuifje tot leven in zijn eigen medium, in een klare lijn die de meester wel zou bevallen.

Niet alleen Kuifje blijft 83 jaar na zijn ontstaan actueel, ook zijn schepper Hergé staat nog geregeld in de belangstelling. Al sinds de allereerste biografieën staan de hoofdlijnen van zijn turbulente leven in het collectieve geheugen gegrift: de invloed van de conservatieve katholieken op het ontstaan van Kuifje, de publicatie in de collaborerende Le Soir tijdens de oorlog, maar ook Hergés redding door verzetsman Raymond Leblanc, die het weekblad Kuifje startte. Gaandeweg raakte Hergé steeds meer in de knoei met zijn plichtsgevoel tegenover zijn echtgenote en zijn lezers. Amoureuze escapades, depressies en een nieuw huwelijk met zijn jonge inkleurster bepaalden zijn naoorlogse leven. Zijn stripfiguur interesseerde hem steeds minder, al werd hij jaloers op het toenemende succes van Asterix.
Dertien jaar geleden hadden tekenaar Stanislas Barthélémy en schrijvers Bocquet en Fromenthal al het lumineuze om uit de verschillende biografieën een strip te distilleren in een moderne versie van de klare lijn, de tekenstijl die Hergé perfectioneerde. De strip verscheen toen ook al in het Nederlands, met relatief succes. In de tussentijd verschenen de allerbeste biografieën van Hergé – die van Benoît Peeters en Philippe Goddin – waardoor 'De Avonturen van Hergé' gedateerd was. Daarom komt er nu een tien bladzijden langere versie op de markt. Koket merken de auteurs op dat ook Hergé zijn werk geregeld updatete. Hun herwerking past dus bij hun onderwerp. Niet elke geselecteerde anekdote is oncontroversieel, maar als geheel is deze nieuwe versie van het levensverhaal van Georges Remi een prima impressie van het bewogen leven van een artiest, zonder hem te veel op te hemelen. Hergéspecialisten zullen er een duivels genoegen aan beleven om de vertelde episodes in de andere biografieën te verifiëren.
De Avonturen van Hergé
Stanislas, José-Louis Bocquet en Jean-Luc Fromental
Blloan, 66 blz., €16,95.
Bron: Gert Meesters; FOCUSKnack; 25 april 2012 (www.knack.be)

In het historische drama Jeronimus leidt wereldhandel tot moord, aldus scenarist Christophe Dabitch.
Batavia’s Kerkhof is het laatste deel van de trilogie Jeronimus, waarin nota bene twee Fransen een intrigerende misstap uit de Nederlandse geschiedenis van de zeventiende eeuw reconstrueren. Door toedoen van de Haarlemse apotheker Jeronimus Cornelisz mondt de schipbreuk van de Batavia voor de kust van Australië uit in een meedogenloze moordpartij en doorgedreven psychologische oorlogsvoering. Zonder zelf iemand te doden, slaagt Cornelisz erin om al zijn tegenstanders uit te schakelen of naar een nabij eiland te verbannen. Vrouwen worden gemeenschappelijk bezit verklaard, wat hem het alibi verschaft om de vrouw van zijn dromen in zijn bed te dwingen.

Het machtsmisbruik in een kleine eilandgemeenschap heeft al veel verhalen geïnspireerd, van William Goldings The Lord of the Flies tot Lost. Scenarist Dabitch tilt zijn geschiedenisles naar een algemener en actueler niveau door de Vereenigde Oostindische Compagnie, tenslotte de eerste multinational uit de geschiedenis, ook als oorzaak aan te wijzen voor de morele ontsporing van een manipulatieve apotheker. Zo wordt het verhaal van de Batavia een waarschuwing voor de neveneffecten van het kapitalisme. De verteltrant blijft sober, met tekstblokken als een voice-over die de gebeurtenissen chronologisch en droog navertelt.
Alleen een hallucinant mensonterende episode uit de geschiedenis levert echter nog geen sterke strip op. Jean-Denis Pendanx heeft voor de grafische weergave een leesbare stripstijl vermengd met schildereffecten die de ruwe verfstroken van een Frans Hals - ook een zeventiende-eeuwer uit Haarlem - oproepen. Hij kiest enkele warme kleuren en legt een zachte waas over zijn prenten. Dat maakt de gebeurtenissen uit 1629 tijdloos, zoals de betere schilderijen uit de gouden eeuw.
Batavia’s Kerkhof (Jeronimus 3)
Jean-Denis Pendanx & Christophe Dabitch
Daedalus (collectie De kracht van kunst),
82 blz., € 24,95.
Bron: Gert Meesters; Knack-FOCUS (http://focus.knack.be).


Kanker is een wrede, vaak allesverwoestende ziekte. Doodsoorzaak nummer een in ons land. Wie kent niet iemand die een geliefde verloor? We vroegen Judith Vanistendael waarom ze koos voor dit ingrijpende onderwerp.
‘Het is niet autobiografisch. Wel ben ik de laatste jaren van zeer dichtbij geconfronteerd met kanker. Uit die ervaringen heb ik geput.’ En ze is niet over een nacht ijs gegaan. ‘Eerlijk gezegd zat het verhaal al helemaal in mijn hoofd voor ik er aan begon… Maar achteraf zag ik pas in wat mij heeft aangezet tot het maken van dit boek.’
De striptekenaar, die eerder De maagd en de negertekende, voert het aquarel Toen David zijn stem verloor op. De dokter heeft keelkanker vastgesteld. De aanzet tot een dramatisch toneelstuk over leven en dood in vier bedrijven.
Als eerste is daar Miriam. Geboren uit een eerdere relatie. Ze hoort het verschrikkelijke nieuws vlak nadat ze zelf bevallen is. Daarna kijken we mee met Tamar, de jongste dochter van David. Ze is nog maar acht. Samen met haar vriendje Max wil ze de ziel van haar vader vangen en in leven houden. We zien hoe haar moeder, Paula, het niet verkroppen kan dat ze achtergelaten wordt. David tot slot, besluit het ontroerende stuk zelf in een indrukwekkende finale.
Vanistendael heeft bewust gekozen voor de toegankelijke, typische stijl. ‘Het is een verhaal over onuitgesproken gevoelens, over angst en pijn. Ik wilde dit zo sterk mogelijk doen overkomen.’ De Brusselse legt uit dat de details het doen. ‘Om alle subtiliteiten qua sfeer er in te krijgen koos ik voor kleur, en daarbinnen voor een heel gevoelig medium: aquarel.’ Heel anders dus dan De maagd en de neger. ‘Klopt. Maar ik probeer altijd zo direct mogelijk van inhoud naar tekening te werken. En dan komt er in een boek over vluchtelingen natuurlijk iets anders uit dan in een album over een blanke man die dodelijk ziek is.’
Judith is bijzonder productief. Twee jaar lang beheerste ‘David’ haar agenda. Inmiddels zijn nieuwe projecten ingepland. ‘Momenteel werk ik aan een kinderboek over een krom eiland, en een nieuwe strip,’ somt ze op. ‘Die gaat over een bodyguard in Spaans Baskenland die politici beschermt tegen de ETA. Maar eigenlijk wil hij schrijver zijn. Het is geschreven door iemand die zelf bodyguard is geweest. Het zal De Sprong gaan heten’. Op de plank liggen bovendien nóg twee verhalen. ‘Eentje gaat over drie dames op leeftijd die het leven herontdekken in de grote stad. Een mengeling tussen Woody Allen en Almodovar. De titel wordt De Drie Gratiën. Het andere album vertelt over een waanzinnige, 88-jarige kunstenares die vriendschap sluit met een meisje van zeventien.’
Stilzitten is er dus niet bij. Richt Vanistendael zich met ieder werk op een ander publiek? Wil Judith met Toen David zijn stem verloor iets nalaten aan haar lezers? ‘Nee,’ ontkent ze resoluut. ‘Ik heb geen boodschap in dit boek gelegd. En ik heb zeker geen specifieke doelgroep. Beschouw het als een roman, maar dan in beelden. het is een verhaal. Niet meer en niet minder. Ik heb een verhaal te vertellen en zoek daar de beste vorm voor.’
TOEN DAVID ZIJN STEM VERLOOR
Auteur: Judith Vanistendael
Uitgever: Oog & Blik | De Bezige Bij
280 pagina’s / €24,90
COBRA TV - Interview met Judith Vanistendael
Website van Judith Vaninstendael

Recensie door Gert Meesters in Knack-FOCUS op 25/01/2012:
Wie dacht dat Judith Vanistendael alleen haar eigen leven kon vertellen, zit fout. 'Toen David zijn stem verloor' overtreft 'De maagd en de neger'.
Na amper twee stripboeken is het blijkbaar al zo ver: bij een nieuw opus van Judith Vanistendael horen vooroordelen. Vandaar de dubbele boodschap bij de lancering van het indrukwekkend dikke Toen David zijn stem verloor: het is géén probleemboek en het is níét autobiografisch. Een onoplettende lezer zou zich immers kunnen vergissen. Kanker is niet het echte onderwerp van het boek, net zoals De maagd en de neger niet alleen de asielproblematiek belichtte. De David uit de titel had in plaats van strottenhoofdkanker ook alzheimer kunnen hebben of in een uitzichtloze coma kunnen belanden.
Vanistendael toont wat een aangekondigde dood doet met alle betrokkenen, vooral met wie overblijft. De verschillende generaties verwerken hun onontkoombare verlies anders: kleine kinderen zijn hard en poëtisch, een volwassen kind voelt zich buitengesloten, een echtgenote vlucht in woede en onbegrip. Elk personage wordt op zijn eigen manier uitgewerkt, zodat Davids voortschrijdende kanker de motor wordt van een intens gezinsportret. Toen David zijn stem verloor is dan wel niet autobiografisch, Vanistendael voedt het boek wel met indringende momenten uit haar eigen leven: een verblijf in Berlijn, een voettocht naar Santiago de Compostela of de ziekte van mensen dicht bij haar. Daardoor kan ze het verhaal de doorleefdheid meegeven waar de emoties om vragen.
Vooral in de heldere visuele vertelling en in de timing toont ze haar meesterschap. De gedoseerde universele emoties en de overgave waarmee ze zich op zware thema's stort, maken van Vanistendael de meest toegankelijke auteur van de bejubelde nieuwe generatie. En zo wordt het bijna een detail dat ze in haar eerste lange kleurenstrip ook grafisch weer stevige stappen heeft vooruitgezet. Pakkend als het leven zelf.


Met zijn vuistdikke autobiografische strip "Een deken van sneeuw" veroverde Craig Thompson in 2003 stormenderhand de stripwereld. Rond de langverwachte en al even omvangrijke opvolger "Habibi" - een post-9/11-versie van Duizend-en-één-nacht - heerst een hype zoals normaal alleen bij nieuwe strips van Marjane Satrapi of Art Spiegelman het geval is. En toch: 'Ik ben grootgebracht zonder ambities.'
Alleen al aan de manier waarop Habibi wordt gelanceerd, merk je dat de 36-jarige Craig Thompson een echte ster is geworden. Het boek wordt op dezelfde dag uitgebracht in Amerika en Europa, en je moest als reporter al erg je best doen om vooraf meer dan een hoofdstuk in handen te krijgen. Thompson zit ondertussen midden in een maandenlange promotietournee: zo'n professionele campagne is in het nogal los georganiseerde stripcircuit behoorlijk uitzonderlijk.
Hij heeft de oplopende spanning natuurlijk ook zelf in de hand gewerkt. Tussen Een deken van sneeuw, zijn tweede boek na het bescheiden debuut Good-bye, Chunky Rice, en het nieuwe Habibi ligt een periode van maar liefst acht jaar. Carnet de voyage, dat kort na Een deken verscheen, was een reisdagboekje met losse anekdotes, en zo vrijblijvend dat niemand het als de opvolger van Thompsons onverwachte bestseller zag. Toch heeft de Amerikaan uit het landelijke Wisconsin sinds 2003 niet stilgezeten. Habibi is net zoals Een deken van sneeuw gewichtig genoeg om een deuk in een hersenpan te slaan: de strip telt net geen zevenhonderd pagina's. Daar zou een gemiddelde Franse tekenaar zo'n vijftien jaar over doen.
Habibi is een heel ander soort boek dan zijn illustere voorganger. In een tijdloos kader, dat de milieuproblemen en vervoermiddelen van de hedendaagse wereld com-bineert met de sprookjesachtige Arabische decors van Duizend-en-één-nacht, laat Thompson twee ontsnapte kindslaven elkaar vinden, kwijtraken en opnieuw terugvinden. De relatie van het meisje Dodola en de jongen Zam - alias Habibi - ontwikkelt zich van een moeder-kindverhouding tot een in de kiem gesmoorde liefdeshistorie. Maar Thompson laat het niet bij de eeuwig problematische liefde tussen man en vrouw: hij duikt vol overgave in de Arabische culturele erfenis. Verhaalkunst, gelijkenissen tussen christendom en islam en decoratieve motieven uit de Noord-Afrikaanse cultuur komen terug in het hele boek. Terloops zet Thompson ook de mannelijke en vrouwelijke identiteit op losse schroeven door een groep vrijwillig gecastreerde travestieten op te voeren. Habibi is kortom veel rijker dan Een deken van sneeuw. Stof genoeg voor een gesprek.

'Een deken van sneeuw' veroorzaakte een lawine aan positieve kritieken, lezersreacties en prijzen. Hoe heb je die periode ervaren?
Craig Thompson: Het was een overweldigende tijd. Ik heb Een deken van sneeuw rustig kunnen maken in een heel beschermde omgeving. Ik ben opgegroeid in een kleine gemeente en had van mijn vorige strip Good-bye, Chunky Rice zo'n tweeduizend exemplaren verkocht. Ik hoefde dus niet al te onzeker te worden bij de gedachte aan mijn lezers-publiek. In mijn dromen hoopte ik op ongeveer evenveel lezers voor Een deken. Ondertussen zijn er alleen in de States al meer dan 100.000 exemplaren van verkocht.
Het werd ook onmiddellijk een internationaal succesverhaal. In de States kreeg Een deken van sneeuw aanvankelijk al meer weerklank dan ik had verwacht, maar toch bleef het boek nog geruime tijd onder de radar. Maar na de Franse uitgave bij Casterman voelde ik me in Frankrijk en België opeens een auteur met naam en faam.
In die tijd kwam daar ook het weldadige effect bij dat je in Europa als stripauteur serieus werd genomen, anders dan in de Verenigde Staten. Ondertussen is dat fel veranderd. Het grote succes van een strip als Een deken van sneeuw is daar een bewijs van. Zo'n lezersbereik was tien jaar geleden in de VS nog een utopie.
Tegelijk werd de hele periode na Een deken ook beheerst door zorgen. Ik kon haast niet meer tekenen door artritis in mijn tekenhand. Ik had maniakaal gewerkt om het boek af te krijgen. In die tijd kon ik nog helemaal niet van mijn strips leven, dus nam ik ontelbare illustratieopdrachten aan om de rekeningen te kunnen betalen. Bij het uitkomen van Een deken van sneeuw was ik oververmoeid. Daar kwam nog eens die hele internationale promotietournee bij, die me veel stress bezorgde. In de periode erna kon ik dus wel genieten van het succes, maar voelde ik ook de schade die het boek had berokkend aan mijn gezondheid en mijn persoonlijke leven.
Bij het tekenen van 'Een deken van sneeuw' hoefde je helemaal niet onzeker te zijn. 'Habibi' was een ander paar mouwen, vermoed ik.
Thompson: Daar zeg je zo wat. Ik voelde veel meer druk, want ik wilde natuurlijk dat Habibi minstens even goed werd als Een deken van sneeuw. Over het algemeen ben ik wel tevreden over de periode waarin ik aan Habibi heb gewerkt. Als je zevenhonderd bladzijden spreidt over zeven jaar, kom je nog altijd aan honderd bladzijden per jaar. Maar er waren wel degelijk periodes waarin ik creatief volledig geblokkeerd zat.
Hoe meer tijd Habibi in beslag nam, hoe erger het werd. Ik zou andere stripauteurs nooit aanraden om een boek zo lang te laten aanslepen, want dat is nefast voor de motivatie. Het voelde als een blok aan mijn been, maar ondertussen heb ik het gelukkig uit mijn systeem gekregen.
Misschien was het belangrijkste wel dat ik er moeite mee had om mezelf toe te staan om weer te tekenen. Het voelde egoïstisch om me aan mijn passie te wijden, terwijl naar mijn gevoel niemand op mijn werk zat te wachten. Ik weet wel dat ik de zaken overdreven voorstel en dat ik een trouw lezerspubliek heb, maar het voelde toch problematisch om gewoon te doen wat ik graag doe, namelijk een strip tekenen.

Heeft dat niet te maken met je familiale achtergrond?
Thompson: Zeker. Ik kom uit een gezin van born again christians uit de lagere arbeidersklasse. Werkethos was belangrijk, maar we zijn eigenlijk grootgebracht zonder ambitie, in welke richting dan ook. Ik heb kunstenaarsvrienden van wie de ouders teleurgesteld zijn omdat ze geen advocaten zijn geworden. Mijn ouders zijn ook ontgoocheld in mijn beroepskeuze, maar om een andere reden. Ze keuren het vooral af dat een bestaan als kunstenaar een zekere ambitie veronderstelt, al is het maar de overtuiging dat mijn werk goed genoeg is om lezers te kunnen boeien. Ze vinden het jammer dat ik een weinig nederige en spirituele way of life heb gekozen.
Terwijl je boeken bovenal spiritueel zijn.
Thompson: Zo zou je dat kunnen zien.
Je zei daarnet dat je niemand zulke lange projecten toewenst, maar waarom maak je dan zelf telkens van die dikke boeken? Zelfs in deze tijden van omvangrijke graphic novels is een strip van 665 bladzijden een uitzonderlijk huzarenstuk.
Thompson: Ik vind dat ik zoveel pagina's moet maken als ik nodig heb om mijn verhaal comfortabel te vertellen. Die lange aanloop moet ertoe leiden dat het einde waarachtig overkomt. De hype rond graphic novels heeft mij er vooral van overtuigd - al is dat misschien een vreemde gedachtekronkel - dat stripauteurs dezelfde ambitie mogen koesteren als schrijvers. En om dezelfde diepgang te verkrijgen als een schrijver in een roman kan leggen, heb je in een strip nu eenmaal veel meer pagina's nodig.
Ik ben ook erg beïnvloed door Japanse manga's. Japanse strips kwamen op in Amerika toen ik jong was, en ik raakte al snel verslingerd. In manga's zijn verhalen van honderden pagina's meer regel dan uitzondering.
Die Japanse invloed was veel duidelijker in 'Een deken van sneeuw', door de pagina's lange filmische sequensen. 'Habibi' is in verhouding veel meer gecondenseerd. Er zit ook veel meer tekst in.
Thompson: In Een deken van sneeuw wou ik met minimale middelen een heel vloeiende leeservaring creëren. In dat boek gebeurt er heel weinig. Habibi moest een echt epos worden, maar dan niet zoals bij Akira Kurosawa of Gabriel Garcia Marquez, met zijn honderden personages. De cast mocht beperkt zijn. In het boek wordt de wereld voorgesteld als zeven lagen hemel en zeven lagen hel, met een laag ertussen voor de ons bekende werkelijkheid. De kern van het boek is de relatie tussen Habibi en Dodola, maar dat is zeker niet de enige manier om het te lezen.
De complexiteit is dus gewild.
Thompson: Zeker, maar misschien heb ik wel overdreven. Op een bepaald moment werd ik voortgejaagd door een neurotische tekendrift. Pagina na pagina krabbelde ik helemaal vol, maar als je in zo'n drive zit, wordt het moeilijk om het overzicht te bewaren. Ik denk dat mijn waanzin het boek uiteindelijk wel goed heeft gedaan, maar ik zat volgens mij toch dicht tegen de dwangneuroses die je zo goed kunt zien bij Charles Crumb, de oudere broer van Robert, in de documentaire die Terry Zwigoff over Crumb maakte.

Je tekendrift staat niet in de weg van het verhaal.
Thompson: Mooi zo. Die neurotische kantjes moesten onopvallend onder de mat. De bedoeling is uiteindelijk om de lezer een boeiende leeservaring voor te schotelen, zonder dat hij zich vragen begint te stellen over mijn geestelijke gezondheid.
Voor 'Habibi' ben je radicaal afgestapt van het autobiografische werk, voor een episch verhaal in een Arabische context.
Thompson: Na Een deken van sneeuw en Carnet de voyage was ik het zat om mezelf te moeten tekenen. Ik wou ook andere decors kunnen tekenen dan mijn landelijke of stedelijke omgevingen. Ik zag twee mogelijkheden: ofwel een fantastisch verhaal in het genre van In de ban van de ring, ofwel een journalistieke strip zoals Joe Sacco ze maakt. Het is geen van beide geworden, maar ik heb toch het gevoel dat Habibi ergens in het midden zit. De personages zien hun leefmilieu achteruit gaan. Hun wereld is in gevaar door vervuiling en hard kapitalisme, zoals onze wereld. Dat is het journalistieke aspect, als je wil. Tegelijk snijd ik die onderwerpen aan in een sprookje in de trant van Duizend-en-één-nacht, met harem en al.
Was je al langer geïnteresseerd in de Arabische cultuur? Hoe is je interesse gegroeid?
Thompson: Ik vind het nu een beetje gênant, maar de motivatie om Habibi te maken kwam toch grotendeels door de naweeën van 9/11. Na de aanslagen op het World Trade Center kwam de Arabische cultuur in een veel te kwaad daglicht te staan. Ze werd voorgesteld als een radicale, gewelddadige cultuur. Het leek wel een heropstanding van het oriëntalisme van de late achttiende en vroege negentiende eeuw, waarbij het bevooroordeelde beeld van de cultuur van de ander moest dienen om de eigen superioriteit van het Westen te benadrukken.
Ik wist zelf weinig over de Arabische cultuur, dus heb ik me erin verdiept. Ik heb ook vrienden gemaakt met een Arabische achtergrond. Onmiddellijk viel me op dat de gelijkenissen tussen onze culturen veel groter zijn dan de verschillen. Zelfs voor iemand als ik, die vanuit een welwillende interesse voor de Arabische cultuur was vertrokken, kwam dat toch nog als een verrassing. Zo werden die culturele gelijkenissen een van de hoofdthema's van Habibi.
De oosters aandoende motieven kwamen vanzelf. Ik heb me gevoed met alles wat ik te pakken kon krijgen, en als tekenaar absorbeer je nu eenmaal snel visuele elementen. Het Arabische schrift biedt prachtige kansen voor een tekenaar, omdat het grafisch zo interessant is. En hun decoratie bezit toch een bijzondere sierlijkheid.
Halverwege 'Habibi' kwam ik tot de vaststelling dat de hoofdthema's van het boek eigenlijk dezelfde zijn als die van 'Een deken van sneeuw': liefde en religie.
Thompson: Ik ben het eens met die interpretatie, alleen zou ik de term religie niet gebruiken. Religie betekent voor mij een door mensen bedacht vehikel dat vooral duidelijke grenzen moet trekken tussen volkeren. Met Habibi wil ik juist tonen dat er geen scheidingen zijn tussen de christelijke en de islamitische wereld, dat ze onopvallend in elkaar overgaan. In plaats van de term religie zou ik dus spiritualiteit gebruiken. Maar de zoektocht naar een diepere betekenis blijft in beide boeken aanwezig.
Hoe gaat het trouwens met je hand? Je hebt net een boek klaar en wordt nu maandenlang opgeëist voor een promotietournee. Dat ziet er niet goed uit...
Thompson: Voorlopig heb ik nog geen last. Ik heb Habibi dan ook op een veel geregelder manier getekend - zeg maar in werkdagen van negen tot zes - dan Een deken van sneeuw. Ik heb mijn privéleven meer op orde. Ik kan eindelijk leven van mijn strips en ik ervaar dat echt als een privilege. De kans op handklachten door overbelasting en stress is volgens mij dus heel wat kleiner.
HABIBI
Craig Thompson,
Oog&Blik & De Bezige Bij,
665 blz., euro34.

De onweerstaanbare doorbraak van Een deken van sneeuw.
Augustus 2003: Blankets van de onbekende 27-jarige auteur Craig Thompson verschijnt bij de piepkleine uitgeverij Top Shelf Productions. Knack Focus juicht en geeft vier sterren.
December 2003: Time Magazine noemt Blankets de beste strip van het jaar.
2004: De Franse editie ( Blankets, Manteau de neige) en de Nederlandse ( Een deken van sneeuw) komen uit.
2004: De Amerikaanse editie bereikt de kaap van 25.000 verkochte exemplaren.
2004: Blankets kaapt de belangrijkste Amerikaanse prijzen weg op de Harvey Awards, de Eisner Awards en de Ignatz Awards: beste tekenaar, beste stripauteur en beste niet-voorgepubliceerde stripboek, zo luidt het eensgezinde verdict.
2005: Manteau de neige krijgt de Prix de la Critique op het festival van Angoulême. Voor de prijs voor beste buitenlandse strip blijft het bij een nominatie, waarschijnlijk omdat Thompson als winnaar te veel voor de hand lag.
2011: De kaap van 100.000 verkochte exemplaren wordt overschreden in de States. De strip is ondertussen in veertien talen beschikbaar.
Bron: Gert Meesters, Knack-FOCUS, 28 september 2011.

Een strip over ballet. Zucht. Wij hebben nu eens niets met ballet. En deze wat truttige, rozeTiny-cover helpt ook al niet erg. Toch hebben we Polina blindelings gekocht. Hiervoor is er uiteraard maar één reden, namelijk Bastien Vivès. In amper een paar jaar tijd is deze twintiger uitgegroeid tot een van de meest innovatieve Franse stripmakers. De Smaak van Chloor, In Mijn Ogen, Innige Vriendschap waren immers een hattrick om U tegen te zeggen. En nu dus een strip over tutu's en pliés. Zucht.
Polina vertelt het verhaal over een wat twijfelend jong meisje die haar balletopleiding mag vervolmaken bij de academie van de stugge, veeleisende Bozjinski. Hoewel ze het zelf niet beseft, is Polina een ruwe diamant. Bozjinski probeert haar op zijn manier te polijsten. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Uiteindelijk keert de Russische het klassieke tenengetippel de rug toe en gooit ze zich met succes op de experimentele dans. Maar haar leermeester en mentor blijft als een schaduw over haar carrière hangen.
Deze hele strip balanceert tussen apathie en genialiteit. De levensloop van Polina boeit ons evenveel als het testbeeld op een zwart-witscherm. Haast nergens worden wij geraakt of leven we echt mee met de danseres. Nochtans zien en voelen we haar zweet om van elke choreografie een eclatant succes te maken. Helaas is niets zo saai als perfectie. Aan de andere kant is dit intiem, ietwat suggestief verhaal schitterend in zijn opbouw. Vivès heeft zijn stokpaardje, het romantische liefdesverhaal, naar de achtergrond verdrongen. Vooraan op de bühne zien we nu de menselijke bewegingen in hun ultieme perfectie. Wat daarachter gebeurt doet er niet toe, en is dus consequent sereen grijs ingekleurd. Enkel Polina is van tel. Haar blik is als enigste leesbaar. Een zeldzame keer wordt ze geraakt door een blik van een vriendje, en is er een zichtbare interactie. Voor de rest is de wereld rond de zichzelf afschermende Polina gezichtsloos. En dat had zelfs de grote Bozjinski niet verwacht, waardoor zijn verhaal ons wel intrigeert.
Met Polina heeft Bastien Vivès weer een nieuwe trede genomen in zijn carrière. Stoutmoedig blijft hij kiezen voor het experiment zonder de commerciële wetmatigheden uit het oog te verliezen. Waar gaat dat eindigen?
Bron: Wouter Porteman; Stripspeciaalzaak.be ; maart 2011

Naar aanleiding van het verschijnen van “Polina” bij Casterman konden we een kort interview houden met Bastien Vives, de jonge talentvolle Franse auteur.
"Polina" speelt zich af in de wereld van het ballet, hoe komt een jonge man er bij om dit als onderwerp voor een stripverhaal te kiezen?
Ik wilde een stripverhaal maken dat zich afspeelde in het artistieke milieu. Ik kon natuurlijk ook de wereld van het stripverhaal genomen hebben. Maar aangezien die zich vooral afspeelt in een tekenstudio zou dit maar een saaie strip opleveren. Ik hou er van om mensen in beweging te tekenen, daarom leek het ballet me een betere keuze.
Is het hoofdpersonage polina gebaseerd op de bekende Russische balletdanseres Polina Seminova?
Niet echt. Aangezien ballet uit enkele basisbewegingen bestaat moeten de tekeningen anatomisch correct zijn, of je ziet direct dat de ballerina niet correct beweegt. Om me voor te bereiden heb ik enkele dansvideos bekeken. De eerste die ik vond was van Polina Seminova. Dat leek me een leuke voornaam voor mijn personage, voor de rest heb ik me niet op haar leven gebaseerd, behalve dat een deel van mijn verhaal zich ook in Berlijn afspeelt waar Polina Seminova ook heeft gewerkt. Ze is ook een jonge vrouw, maar verder gaat de gelijkenis niet.
Het viel me op dat Polina altijd met een zwarte neus wordt afgebeeld, zit daar iets achter?
Niet echt, het was de bedoeling dat je Polina gemakkelijk zou kunnen herkennen bij het lezen van het verhaal. We volgen haar al vanaf ze zes jaar is, dus ze verandert wel qua uiterlijk als ze opgroeit. Ik heb een vriendin die een nogal rode neus heeft, zo kwam ik op het idee om haar neus te kleuren. Maar aangezien het een zwart/wit verhaal is kon ik haar neus niet rood kleuren natuurlijk.
Bozjinski, de balletleraar van Polina, doet enkele straffe uitspraken over kunst en dansen. Zijn dit uw woorden, is dit uw mening?
In sommige uitspraken kan ik me perfect vinden bijvoorbeeld als hij zegt dat een vertolking er elegant en licht moet uitzien, anders zien de mensen alleen maar moeite en inspanning. In stripverhalen is dat net hetzelfde.
U wordt het nieuwe jonge Franse talent genoemd. Bij ons wordt Brecht Evens naar voor geschoven als Belgisch equivalent. Ken je hem, en zijn werk?
Ik heb Brecht al ontmoet op een stripfestival. Toen “Ergens waar je niet wil zijn” werd vertaald heb ik dat boek ook ingekeken. Alhoewel hij een eigen stijl heeft zijn er ook punten van overeenkomst tussen ons. Zo werkt hij ook in hoofdstukken. Hij werkt ook graag met beweging. Hij experimenteert wel meer dan ik.
U gaat het experiment toch ook niet uit de weg. Was “de smaak van chloor” nog redelijk klassiek te noemen, dan is “In mijn ogen” toch erg origineel opgevat. Het is uitgewerkt in potlood, geen kaders en zo voort.
Het gaat me niet echt om het experiment, meer hoe ik aanvoel hoe ik iets het best kan overbrengen. Zo is het dansen in “Polina” toch wel belangrijk, daarom zijn de dansers altijd in het wit afgebeeld. Ik heb ook grijs toegevoegd om het contrast tussen het wit en het zwart niet te groot te maken.
Het valt me op dat u graag sterke, mysterieuze vrouwen tekent, je kan er zo verliefd op worden.
Ik werk graag met vrouwelijke personages, ik krijg die gemakkelijker op papier. Zo is “In mijn ogen” ook geëvolueerd totdat het mannelijke personage uit beeld verdween.
Dan bent u de eerste man die de vrouwen kan doorgronden!
Haha, dat zou ik nu ook weer niet durven zeggen
Is er nog een scenarist of tekenaar waar u graag eens zou mee samenwerken?
Ik vertel graag verhalen, en ik teken die ook graag zelf. Ik werk liever alleen.
Toch werkt u niet alleen aan het niet vertaalde “Pour l’empire”
Dat is een ander verhaal, want daar is het niet dat Merwan instaat voor het scenario en ik voor de tekeningen. We werken samen aan de volledige uitwerking. Dus zowel het verhaal als de tekeningen.
Werkt u dan liever alleen in een bureau of samen in een studio?
Striptekenaar zijn is sowieso al een eenzame bezigheid, daarom werk ik graag in een studio, zo kan je bij problemen ook raad vragen aan iemand anders, of krijg je een interactie met je collega’s
Kan u ons al vertellen waar u nu mee bezig bent?
Dit jaar werken we het laatste deel af van “Pour l’empire”. Daarnaast zijn we ook bezig met een soort van manga verhaal die meer dan duizend pagina’s moet bevatten, maar meer kan ik er niet over vertellen.
Al na het lezen van uw eerste vertaalde album zit ik al met de vraag wat de zwemster uit “De smaak van chloor” nu eigenlijk wil zeggen onder water. Kan u een tip van de sluier oplichten?
Eigenlijk weet ik ook niet wat ze zegt, misschien maakt ze een grap, misschien wil ze iets serieus vertellen? Dat zal altijd een mysterie blijven. Over de laatste twee pagina’s in annex kan ik wel duidelijk zijn: daar is ze onder water aan het zingen.
Bron: 'beus'; stripINFO.be

POLINA - Sebastien Vivès
Casterman, Collectie KSTR
€ 22,50, 212 bladzijden.
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Inloggen met Hyves
Inloggen met Facebook
Inloggen met Google
Inloggen met Windows Live
Inloggen met Twitter Wat is dit?Je kan je ook aanmelden via een van bovenstaande partner websites. Klik op het icoontje en je bent direct ingelogd op Clubs.nl
Of maak zelf een Clubs account aan:
Statistieken
12 Schoonheid - Schuiten
Winnaars stripfestival Angoulême bekend
30.01.2012 | 21:26
Guy Delisle en Jean-Claude Denis (rechts), de winnaars van Angoulême.
Het 39ste stripfestival in Angoulême levert een divers palmares op. Fransman Jean-Claude Denis won de Grote Prijs van de stad Angoulême en mag de volgende editie voorzitten. Canadees Guy Delisle won de prijs voor het best…
Lees meer…
30.01.2012 | 20:57
Ever Meulen, Joost Swarte en Herr Seele. Alle drie tekenden ze ooit voor Raw, het legendarische striptijdschrift van Art Spiegelman. Nu het Festival van Angoulême zijn juryvoorzitter fêteert met een retrospectieve, blikken ze terug op hun glorieuze samenwerking. 'Het had iets van The Factory.'
I…
Lees meer…
Eric Heuvel wint Stripschapprijs 2012
28.12.2011 | 20:21
De Nederlandse stripauteur Eric Heuvel, bekend van o.a. ‘January Jones’ en de historische strips ’De ontdekking’, ‘De zoektocht’ en ‘De terugkeer’, wint de Stripschapprijs 2012, de oudste stripprijs van Nederland. Dat meldt het Stripschap, de organisatie die de prijs uitreikt. De Stripschapprij…
Lees meer…
26.12.2011 | 01:20
1. ASTERIOS POLYP
DAVID MAZZUCCHELLI
Mazzucchelli's verhaal over een scheve architect die zijn schepen verbrandt, gebruikt alle stilistische middelen die een strip ter beschikking heeft.
2. FROM HELL - VANUIT DE HEL 3
EDDIE CAMPBELL & ALAN MOORE
Slotstuk van een duistere klassieker over Jac…
Lees meer…
De Schaduw van het Vuur
De strijd tegen het water
Gelimiteerde editie nieuwe Hermann-strip
Marten Toonderprijswinnaar Peter Pontiac aan het woord
Shutter Island - Uitgeverij Casterman
Scarface - Uitgeverij Casterman

SCHIET NIET OP DE VERZEKERAAR - 'De killer' blijft boeien door de collectieve frustratie over de bankencrisis te uiten met enkele goed gemikte kogels.
Om tien albums lang onze aandacht te blijven vasthouden, moet een stripreeks van goeden huize komen. Jacamon en Matz zijn er met De killer in geslaagd, hoewel het basisgegeven uiterst eenvoudig gehouden is. Het hoofdpersonage is een professionele huurmoordenaar met een ontwikkelde argwaan voor de menselijke soort. Gaandeweg krijgt de afstandelijke killer ruimte voor een gevoelsleven met vrouw en kind. Die verstopt hij beiden angstvallig in een ontoegankelijk oerwoud, want een sterk emotionele band is een achilleshiel in zijn business, net zoals een moreel besef. In dit einde van de tweede verhaalcyclus wil de drugsbaron met wie hij geregeld werkt, legaal in een oliebedrijf op Cuba investeren, maar daarbij wordt hij tegengewerkt door Cubaanse bannelingen in Miami en een verzekeringskantoor in Londen. De killer mag zijn specialiteit dus weer gaan uitoefenen om de tegenstand uit te schakelen.

Tekenaar Jacamon was tien jaar geleden een van de eersten die de beperkingen van hun tekentalent efficiënt met computertechnieken wisten op te vangen. Zijn grafiek houdt hij clean en zijn kleurenpalet koel. Ondanks de beroepsrisico's van het hoofdpersonage wordt weinig spanning opgebouwd door de vertelde gebeurtenissen. Het is de droge voice-over van de cynische moordenaar die de serie boven de middenmoot uittilt. Temeer omdat zijn verrassende carrièrewending en omscholing tot grote pief in een oliebedrijf de killer aan de moreel verantwoorde kant brengt - die van het belaagde, idealistische Cuba tegenover de kuiperijen van imperialistische Amerikaanse kapitalisten en op winst beluste bankiers. Het nuchtere gekanker op de mensheid maakt het hoofdpersonage onvermijdelijk sympathiek, waardoor de grens tussen goed en kwaad in De killer succesvol wordt opgeheven.
DE KILLER
Deel 10 - Hart voor het werk
Luc Jacamon & Matz
Casterman, 56 blz., euro 11,50.
Bron: GERT MEESTERS; Knack-FOCUS,

In 2006 verscheen het boek Strips in stereo, een vrij uniek initiatief waarbij een aantal Nederlandse stripmakers bewerkingen maakten van Nederlandse popliedjes. Zo maakte Fokke en Sukke tekenaar Jean-Marc van Tol een strip van Teach In’s ‘Dinge-Dong’, bewerkte Barbara Stok ‘Is Dit Alles? van Doe Maar en maakte Hanco Kolk een strip van het nummer ‘Voor ik vergeet’ van Spinvis. Die samenwerking tussen stripmaker Kolk en muzikant Spinvis heeft nu een vervolg gekregen in Tot ziens, Justine Keller, het nieuwste album van Spinvis dat tegelijkertijd als CD en als graphic novel verscheen.
Spinvis (pseudoniem van Erik de Jong (1961) brak in 2002 door met zijn titelloze debuutalbum dat niet alleen opzien baarde omdat hij het album in zijn eentje op een zolderkamertje in Nieuwegein had gemaakt. Vooral zijn teksten, impressionistisch met een sterk gevoel voor de poëtische waarde van alledaagse taal, spraken tot de verbeelding. Tot ziens, Justine Keller is zijn derde studioalbum, wederom vrijwel solo gemaakt. Hoewel de naam Justine Keller aan het begin en aan het einde van het album opduikt is er niet echt een rode draad in te herkennen. Er zijn hoogstens een aantal terugkerende thema’s te noemen, eenzaamheid, melancholie en overmatig drankgebruik zetten de toon. Geen conceptalbum dus, en ook geen verhalende graphic novel van Kolk.
De tekenaar behandelt elk nummer dan ook als een verhaal op zich, telkens in een geheel andere stijl. Zo bestaat de bewerking van het titelnummer uit een serie Matisse-achtige houtsneden, wordt het nummer ‘Heel goed nieuws’ verbeeld met foto’s van door Kolk beschilderde rotsen en wordt de tekst van ‘Koning Alcohol’ verwerkt in nagemaakte etiketten van drankflessen.

Afbeelding 1: fragment uit ‘Heel goed nieuws’
Het boek kan op twee verschillende manieren gelezen worden: als begeleiding bij de CD, die bijgeleverd is, of als boek op zich. Met muziek erbij is zonder twijfel het meest interessant, songteksten meelezen met een CD is één ding maar het feit dat de lezer daar ook nog een opeenvolging van beelden naast heeft, maakt Tot ziens, Justine Keller tot een redelijk unieke leeservaring. Een goed voorbeeld is het nummer ‘Overvecht’ waar de tekeningen en muziek prachtig op elkaar aansluiten, als een videoclip, maar dan vele malen beter. Het nummer zelf is een opsomming van allerlei doemgedachten die door Kolk worden verbeeld als bijna allesoverheersend monster dat als een gigantische schaduw over het dagelijks leven valt. De laatste pagina waar het monster naast de gestalte van een kind aan de waterkant staat is een van de mooiste en meest hoopgevende beelden van dit album.

Afbeelding 2: Fragment uit ‘Overvecht’
Kolk weet niet alleen de sfeer van de tekst maar ook de tempo van de muziek vakkundig op te vangen. Het openingsnummer ‘Oostende’ is het deprimerende relaas van een verlaten geliefde die alleen nog lege dijken en drinkende mensen ziet die zijn eigen eenzaamheid lijken te benadrukken. Kolks bewerking lijkt in eerste instantie te vol, sommige van de pagina’s bevatten zo veel tekeningetjes van drinkende mensen dat je nog niet klaar bent met het ‘lezen’ van de beelden of de muziek dwingt je al om de bladzijde om te slaan. Het lijkt alsof de muziek te snel gaat voor de beelden, wat de lezer haastig maakt. Aan het einde van het nummer stopt de beat echter abrupt en zien we de drinkende mensen in een soort afgrond vallen, alsof ze, samen met de lezer, te hard zijn doorgerend en niet op tijd konden stoppen. Terwijl de drinkers in het niets verdwijnen blijft Spinvis herhalen ‘En de band speelt door de hele nacht’

Afbeelding 3: Fragment uit ‘Oostende’
Zonder muziek laat het boek zich echter ook prima lezen, als bundel beeldende gedichten. Hoewel niet alle nummers als op zichzelf staande gedichten werken, zo zijn ze immers ook niet bedoeld, blijven veel ervan wonderwel overeind zonder de muzikale begeleiding. Dat is in eerste instantie toe te schrijven aan Spinvis, zinnen als ‘Hij fluit een liedje van de Bee Gees uit hun eerste periode’ zijn aanmerkelijk interessanter om te lezen dan een doorsnee songtekst. De muziek is doorgaans lieflijk en Spinvis’ stem heeft iets naïefs dat de mineurstemming van de teksten enigszins relativeert. Als je het boek dan zonder die relativerende stem leest, is het ietsje deprimerender dan met muziek maar Kolks beelden bevatten meer dan genoeg sfeer en zeggingskracht om het gebrek aan muziek op te vangen. ‘De grote zon’ is daar een goed voorbeeld van, een lieflijke ballade die een reis, of een relatie, of allebei beschrijft. De verteller kent hoop (‘Ik blijf bij jou tot aan het eind’) maar ook twijfel: ‘Ik ben niet meer heel erg sterk misschien maar ik maak je aan het lachen dus daar moet het dan maar mee.’ Een prachtig onbeholpen zin. In zijn visuele benadering kiest Kolk voor gezichtsloze lijnfiguren, en creëert daarmee een voelbare emotionele afstand. Hij laat de geliefden zien in diverse stadia van hun reis maar er is geen vreugde in de beelden, het lijken lang vervlogen herinneringen. De verteller zegt weliswaar een aantal keer dat alles oké en goed is maar dat blijkt in de tekeningen slechts valse hoop.

De muzikale bewerking is een relatief onontgonnen genre in de strip maar het biedt mogelijkheden. Een belangrijk pluspunt van een lied is dat de teksten vaak weinig descriptief zijn waardoor de stripmaker, al dan niet aangespoord door de sfeer van de muziek, meer ruimte heeft krijgt om zijn eigen poëtische invulling aan de brontekst te geven. Het genre maakt in ieder geval diversere, experimentelere benaderingen mogelijk dan de wat slaafse navolging van de tekst die we vaak bij literaire stripbewerking tegenkomen. Kolk en Spinvis hebben met Tot ziens, Justine Keller een mooie toetssteen voor volgende beoefenaars van dit genre gecreëerd.
Bron: Remco Wetzels (http://remcowetzels.blogspot.com/), Recensieweb.nl, 3 februari 2012.

Joe Sacco vond een genre uit: de stripjournalistiek. Twee nieuwe vertalingen moeten zijn werk ook bij de Nederlandstalige lezer introduceren. 'Pas wanneer je eet en leeft met de mensen over wie je schrijft, kan je bevatten met wat voor problemen ze te kampen hebben.'
Hij studeerde journalistiek, hij tekende strips. Ergens op het einde van de jaren 80 begon hij die twee te combineren. 'Ik zou niet durven te zeggen dat het toevallig gebeurd is, maar het is wel organisch gegroeid. Op een bepaald moment besloot ik, uit een min of meer journalistieke reflex, naar de Palestijnse gebieden te trekken', vertelt hij. 'Ik wilde zien hoe het er was. Het werk dat ik in die tijd maakte, sloot aan bij de autobiografische strips die toen in de VS erg populair waren. Toen ik vertrok, wilde ik gewoon een getekend reisverslag maken, maar eenmaal daar ging ik achter verhalen aan en begon ik mensen te interviewen. De journalistiek bleek nog altijd de filter te zijn waardoor ik de dingen bekeek.'
Het was de start van een nieuw genre, de stripreportage, waarvan Joe Sacco (1960) nog steeds als de belangrijkste vertegenwoordiger geldt. Sacco werd geboren op Malta, groeide op in Australië en woont al decennia in de Verenigde Staten. Zijn stripreportages over conflictgebieden overal ter wereld leverden hem onderscheidingen, bestsellers en de bewondering van schrijvers en journalisten op. Twee van zijn beste boeken verschijnen nu in het Nederlands, Moslimenclave Gorazde en Gaza 1956.

Journalistiek is een heel snel medium, strips zijn bij uitstek een traag medium.
Joe Sacco: 'Als ik ergens ben, gedraag ik me zoals elke andere journalist. Ik probeer een verhaal scherp te krijgen, trek van het ene interview naar het andere. Maar journalisten schrijven elke dag of elke week een verhaal. Dat kan ik uiteraard niet - het vraagt erg veel tijd om een strip uit te werken. Ik bedrijf slow journalism, trage journalistiek. Ik ga op zoek naar universele verhalen. Wat ze universeel maakt, denk ik, is dat ik vooral met gewone mensen praat.'
Dat u in tekeningen verslag uitbrengt, heeft dat voordelen?
'Zeker, zoals het uiteraard ook nadelen heeft. Vooral die traagheid is weleens een probleem. Als ik op een verhaal stoot dat ik meteen wereldkundig zou willen maken, stoort het me soms dat ik er niet direct mee verder kan. Het grote voordeel is dat wanneer een lezer een strip openslaat, hij zich onmiddellijk op een bepaalde plaats bevindt. Je moet daar geen uitleg bij geven, het beeld zegt alles. Een tekening volstaat om een lezer naar een vluchtelingenkamp op de Westelijke Jordaanoever te brengen.'
Ik las onlangs 'Down and out in Paris and London' van George Orwell. Het viel me op dat er nogal wat gelijkenissen zijn tussen wat u doet en zijn manier van werken.
'Orwell was een heel belangrijke inspiratiebron voor me. Wat mij vooral trof toen ik zijn werk voor het eerst las, was dat hij zich echt verplaatste in de situatie van de mensen over wie hij schreef. Sommige mensen zullen dat zien als slumming (een fenomeen van eind negentiende eeuw waarbij rijke Britten zich op bijna toeristische wijze tussen de armen begaven 'om te kijken hoe het voelt', red.), maar voor mij is het de enige manier om het te doen. Pas wanneer je eet en leeft met de mensen over wie je schrijft, kan je bevatten met wat voor problemen ze te kampen hebben. Boeken als Down and out in Paris and London, waarin Orwell verslag uitbrengt van een lang verblijf tussen de daklozen van Londen en Parijs, of The road to Wigan Pier, waarin hij in de bedden slaapt van de mensen die in de steenkoolmijnen werken, openden mij de ogen. Het probleem met veel journalisten is dat ze 's nachts steeds naar hun luxueuze, bewaakte hotels terugkeren. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk, vaak noodzakelijk zelfs. Maar het verwijdert hen wel van wat er écht gebeurt.'
Wanneer je voor een krant begint te werken, is de eerste boodschap die je krijgt: wees objectief. Bent u objectief?
'Niet in de betekenis die daar meestal aan gegeven wordt. Ik geloof wel in een objectieve waarheid, die je als journalist moet proberen te achterhalen. Maar het is wel ontzettend moeilijk om objectief te zijn. Iedereen heeft vooroordelen, ook reporters. Als ik als westerling naar Gaza trek, neem ik een pak vooroordelen mee. Ik geef er de voorkeur aan om dat al op voorhand te erkennen. Het is heel vanzelfsprekend dat een buitenstaander subjectief is. Als een outsider, als een westerling, vraag ik me uiteraard af waarom vrouwen de hijab dragen. Ik erken dat. Daarmee kan ik de lezer gemakkelijk aanspreken, want in veel gevallen heeft die dezelfde vooroordelen. Vervolgens vraag ik aan die vrouwen waarom ze de hijab dragen en laat ik het hen zelf uitleggen.'
'In de Amerikaanse journalistiek wordt objectief meestal gelijkgesteld met evenwichtig. Als je een verhaal brengt, dan is het objectief als je de twee kampen aan het woord laat. Ik heb geen probleem met die manier van werken, maar dat betekent nog niet dat elk van die twee partijen met evenveel recht de waarheid kan claimen. De waarheid ligt niet altijd in het midden van twee uiteenlopende versies van hetzelfde verhaal. Het doel van een journalist is niet om twee versies van één verhaal te brengen, nee, de journalist moet proberen te achterhalen wat er écht gebeurt.'
Is dat de reden dat u indertijd naar Bosnië trok?
'Ik ergerde me eraan dat de internationale gemeenschap de crisis in Joegoslavië afdeed als louter humanitair. Ze schoven de hete aardappel steeds maar door om het toch maar niet als een politieke materie te moeten behandelen, wat het wel degelijk was. Door het te omschrijven als een humanitaire crisis konden ze de wereld doen geloven dat ze echt wel iets deden. Ook al was dat niet het geval. Vergeet niet: er werden tienduizenden mensen vermoord. Zomaar. In Europa. Ik was op dat moment in Europa en ik voel me nog altijd Europeaan - ik ben op Malta geboren. Ik vond het schokkend. Ik was er altijd van uitgegaan dat er na 1945 nooit meer oorlog zou komen in Europa. Ik zag het als mijn plicht om te gaan kijken wat er precies gebeurde.'
U koos ervoor om niet zomaar in Sarajevo te blijven, zoals de meeste journalisten.
'Ik trok naar de moslimenclave Gorazde, al had ik er vooraf geen flauw idee van wat ik daar zou aantreffen. In Sarajevo waren er zoveel journalisten dat veel inwoners van de stad wantrouwig werden. Ze vroegen zich af wat al die mensen daar kwamen doen, en wat voor zin het had om iets tegen hen te vertellen. Terwijl de mensen in Gorazde net ontzettend blij waren dat ze hun verhaal eens konden vertellen. Ik realiseerde me ook dat het verhaal van deze mensen niet verteld zou worden als ik het niet zou doen.'
In 'Gaza 1956' staat een vergeten incident uit 1956 in Rafah centraal, waarbij 111 Palestijnen door Israëlische soldaten werden doodgeschoten. Waarom nam u dat als onderwerp voor een boek?
'Net omdat het vergeten is. In een conflict waarvan we denken dat we er veel over weten en dat elke dag in het nieuws is, blijkt een incident waarbij zoveel doden vielen zomaar vergeten. Mijn idee was de mensen die erbij waren, die het overleefd hebben, aan het woord te laten.'
De Palestijnse intellectueel Edward Saïd, die zich heel lovend uitliet over uw werk, heeft zich er altijd over beklaagd dat de Palestijnse stem amper gehoord wordt als het over het conflict in het Midden-Oosten gaat. Bent u het met hem eens?
'In het Westen is dat in ieder geval zo. In de jaren 90 was er beterschap, maar na de aanslagen op de WTC-torens en het Pentagon ging het opnieuw veel slechter. Palestijnen worden opnieuw gelijkgesteld met terroristen. Wat de Palestijnen is overkomen, wordt altijd bekeken door een filter van terrorisme, de veiligheid van Israël. Mijn punt is: gooi die filters weg en luister naar wat de Palestijnen zelf te vertellen hebben. Ik wil Palestijnse stemmen laten horen. Die stemmen kunnen zich vergissen, je voelt je er niet altijd comfortabel bij, soms zijn ze zelfs slecht voor hun eigen zaak. Maar luister gewoon naar wat ze zeggen.'
'Wanneer je de frustraties en de weerstand van de Palestijnen wilt begrijpen, besef dan dat het om een volk gaat dat sinds 1948 steeds opnieuw is vernederd. Ze hebben zelfs nog geen moment de tijd gehad om hun geschiedenis te verwerken, want ze zitten nog altijd in een razendsnelle opeenvolging van historische gebeurtenissen. Ze proberen om te gaan met het drama dat ze vandaag meemaken, niet met wat hun grootouders of hun ouders overkomen is. Terwijl wat daar gebeurd is zo intens is dat je het echt wel moet verwerken.'
'Gaza 1956' verschijnt bij Atlas. 'Moslimenclave Gorazde' bij Xtra.
- Uitgeverij Atlas
- Uitgeverij Xtra
Bron: Toon Horsten, 'Ik bedrijf trage journalistiek'; De Standaard (www.standaard.be); 20 juni 2011.

LIEFDE IS DOOF - Dan Clowes laat je meekijken in het hoofd van een datende veertiger met een laag zelfbeeld.
De ideale man was volgens Dan Clowes 'de enige kans die ik ooit zal hebben op een vervolgstrip in een krant". Twintig weken lang mocht de auteur van Ghost World en Wilson een pagina in The New York Times zetten. Hij gebruikte die gelegenheid voor een antiromantisch liefdesverhaal. Marshall, een door het leven teleurgestelde veertiger, heeft zich door vrienden tot een blind date laten overtuigen. Samen met hem wacht je in een café op een onbekende vrouw, die zo laat is dat ze niet meer lijkt te komen. Ondertussen becommentarieert Marshall de situatie in een voice-over. Daarin belanden zijn ergernissen over mensen die al gsm'end een café binnenkomen, maar ook zijn voorzichtige inschattingen van de vrouwen om hem heen. Eén van hen zou wel eens zijn blind date kunnen zijn.
Wanneer zijn afspraakje uiteindelijk toch nog opduikt en onverwacht knap blijkt, razen Marshalls gedachten onverminderd door. Ze zijn zo dominant dat ze de tekstballons van de gesprekken bedekken, waardoor de smalltalk van zo'n eerste conversatie achteloos wordt gewist. De situatie blijft niettemin perfect leesbaar. Clowes draait de verhoudingen om: de onhoorbare gedachtestroom heeft meer relevantie dan de hoorbare, maar zinloze gesprekken en wordt dus visueel dominant. Zo heb je als lezer geen toegang meer tot de normaal wel hoorbare geluiden van de alledaagse conversatie.

Voor deze boekuitgave herschikte Clowes de oorspronkelijke tekeningen uit de krant en vulde hij hier en daar zijn voorgepubliceerde pagina's aan met extra materiaal. In vergelijking met het vorig jaar verschenen Wilson is De ideale man minder vernieuwend en een stuk ernstiger. Clowes laat zijn karakteristieke wrange humor niet helemaal achterwege. Zo is het bijzonder ironisch dat de sullige Marshall als een echte held toevallig de dief onderschept die de handtas van zijn nieuwe vlam heeft ontvreemd of dat hij later op de vuist gaat met haar ex. Maar in De ideale man overheerst toch vooral een hoopvolle tristesse. Clowes portretteert met mededogen kwetsbare mensen die blutsen en builen hebben opgelopen, maar tegen beter weten in blijven proberen om er het beste van te maken.
DE IDEALE MAN
Daniel Clowes
Oog&Blik & De Bezige Bij,
77 blz., euro 19,90.
Bron: GERT MEESTERS; Knack-FOCUS
Polina - Bastien Vivès
Graig Thompson
Strip over het leven van Vincent van Goch