Geplaatst op zaterdag 11 juni 2005 @ 18:59 , 910 keer bekeken
Jef Nys: ,,Als ik zie wat er tegenwoordig zoals op de kinderen wordt losgelaten, dan denk ik: laat dat braaf Jommeke maar blijven, om op te roeien tegen die bocht, die onnozele truut. Jef Nys wil weten of de interviewer als kind de Jommeke-strips heeft gelezen. Natuurlijk wel. Dan kan het niet anders of hij is een goed mens, vindt Nys. Dinsdag wordt een grote dag voor hem. Dan opent in Brussel een overzichtstentoonstelling van zijn werk. Want dit jaar is Jommeke net een halve eeuw oud. ,,Ik heb geluk gehad."
IN zijn strips zijn het Jommeke en Filiberke die zich onverschrokken in het avontuur storten, terwijl Annemieke en Rozemieke de afwas doen. Het stoort tekenaar Jef Nys (78) niet echt. Dit is nu eenmaal het universum van Jommeke en zijn vriendjes, al een halve eeuw lang. Nooit veranderde er veel aan, op wat uiterlijkheden na. Van de straks 230 albums zijn er al meer dan vijftig miljoen verkocht.
Jommeke verscheen voor het eerst op 30 oktober 1955 in Kerk en Leven . Hij was toen nog een klein, dikkig jongetje van een jaar of vijf. Drie jaar later stapte Nys over naar Het Volk , toen de krant van de christelijke arbeidersbeweging. Jommeke werd er iets ouder, een jaar of tien - en dat is hij vandaag nog altijd. Daar waakt Jef Nys over. Hij werkt slechts heel sporadisch aan nieuwe albums mee, maar superviseert nog dagelijks - ,,streng, met een rood potlood" - hoe zijn medewerkers Jommeke tekenen.
De Antwerpenaar Jef Nys, geboren op 30 januari 1927, groeide op in volle oorlog. ,,Ik wou technisch tekenaar metaal worden, om dan te gaan werken bij Cockerill. Techniek interesseerde mij en ik was altijd de eerste van de klas. Maar een ingenieur die les gaf aan de technische school in Borgerhout, zei dat ik naar het kunstonderwijs moest. Dus trok ik naar de Academie in Antwerpen."
- Dat was toch niet vanzelfsprekend, kunst studeren tijdens de oorlog.
Je maakte je eigen leven niet. Aan de academie waren velen alleen ingeschreven om aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland te ontsnappen. Want de Duitsers vonden cultuur belangrijk. Niet alles was slecht aan de Duitsers. Maar artiest worden, wat is dat? In de winter op een zolder zitten bibberen van armoede? Ik tekende graag karikaturen en mannekes , maar strips bestonden toen nog haast niet.
In de oorlog vond ik het heel gewoon om honger te hebben. Ik heb toen ook veel lijken gezien, onder meer na het bombardement op de Erla-fabrieken in Mortsel. Ik weet niet wat ik daar toen van dacht. Het drong wel tot me door, maar toch ook weer niet echt. Bij de bevrijding heb ik nog gezien hoe iemand van het verzet op de Meir werd doodgeschoten.
En daarna kwamen de V-bommen, de geheime wapens waarover Hitler altijd pochte. 1.200 zijn er op Antwerpen gevallen. Daar werd je fatalistisch tegenover, je kon er niets aan doen. - Nee?
Nee. Eén keer ging ik wel op de loop voor de Gestapo. In het Centraal Station van Antwerpen zag ik dat ze mij in de gaten hielden. Ik weet niet waarom. Ik had al gehoord van mensen die verdwenen naar Breendonk en in paniek ben ik toen naar een zij-ingang gelopen die op de Pelikaanstraat uitgaf. Vandaar rende ik naar huis in Berchem. Angst geeft vleugels.
Nog altijd had ik graag gebeeldhouwd of geschilderd, maar stilaan verdween de artiestendroom. Na de oorlog ben ik tijdje gaan werken bij een architect, Maurits De Vocht. Hij was een neef van de componist Lodewijk De Vocht. Die heeft muziek gecomponeerd zoals Tsjaikovski. Maar van onze Vlaamse componisten zoals hij of Benoit hoor je nooit iets, die worden doodgezwegen.
Toen ik achttien was, ben ik voor het weekblad 't Pallieterke gaan werken. Ik heb er van alles getekend, zelfs over sport, al interesseerde me dat niet. Ik heb in heel mijn leven hooguit vier voetbalwedstrijden gezien. En ik moest er de politiek volgen en dat werd ik snel beu. Het was toch een goede, avontuurlijke tijd. Die heeft voor mij de weg gebaand, de weg van het bedrukt papier. Al is het jammer: je mag dan wel iets moois tekenen, 's anderendaags ligt het toch al bij het oud papier.
't Pallieterke was een rechts blad, zeer gekant tegen de repressie van de collaboratie. ,,Men zei dat het 'zwart' was. Maar eigenlijk was het Vlaams. Bruno De Winter, die het blad stichtte, kon niet tegen onrecht, tegen de uitwassen van de repressie. Mensen die dat niet verdienden, kregen toen de kogel of vlogen in de gevangenis. De Winter was volledig clean uit de oorlog gekomen, hem kon men niets verwijten. Ik ging er na elf jaar weg omdat het er na de dood van De Winter pro-zwart moest zijn, zelfs hyper-pro-zwart. - Maar aan strips kwam u nog altijd niet toe.
In 't Pallieterke heb ik het geprobeerd, maar het beviel me niet. Toen tekende ik wel karikaturen voor de CVP en voor de Gazet van Antwerpen . Voor de krant Het Handelsblad maakte ik een voorloper van Jommeke, vingeroefeningen, om het vak te leren. Maar die krant had geen centen, zodat ik ging werken bij Kerk en Leven , waar ik Jommeke heb gecreëerd, maar ook realistische strips tekende.
Na drie jaar kreeg ik geweldige ambras met de dominicaan die daar eigenaar was, en die heeft me aan de deur gezet. Gelukkig zocht Het Volk toen net een tekenaar. Ik kwam daar in 1958 met veel schrik, want Marc Sleen was er de grote man. Maar hij had te veel werk. Hij gooide zijn inktlijnen rechtstreeks op het papier, zonder eerst in potlood te tekenen. Als proef mocht ik een Jommekes-verhaal maken, eigenlijk een nieuwe versie van een verhaal dat ik voor Het Handelsblad had gemaakt: De j acht op een voetbal . - Dat was de glorietijd van de Vlaamse krantenstrip.
Ik heb geluk gehad. We hadden niet veel concurrentie. De mannen die nu beginnen, geef ik geen enkele kans. Van de zeemzoetste heiligenverhalen tot de hardste porno, het is er allemaal al. Je kan niets nieuws meer bedenken. Maar je moet het ook kunnen. Na verloop van tijd vond ik mijn oude verhalen niet meer goed genoeg en begon ik ze te hertekenen. Ouderwets Jommeke trok niet meer. Nu heeft hij televisie in huis of belt hij met een gsm.
Ik richt mij op het lager onderwijs. Mijn kinderen waren mijn klankbord. Ze kwamen van school en vroegen mij: hoe ver staat het? Bij hen heb ik De koningin van Onderland uitgetest, om na te gaan hoe ver ik kon gaan in het bang maken van kinderen. - Wat betekende het om voor katholieke bladen te werken? Jommeke is nooit naar de mis geweest.
Nu ben ik niet meer katholiek. Sinds ik gescheiden ben, denk ik anders over God en de schepping. Tot mijn ontsteltenis moest ik na mijn scheiding nog wel mijn plichten doen, maar mocht ik geen sacramenten meer ontvangen of in gewijde grond begraven worden. Dat soort zever. Een journalist van Het Volk die ook was gescheiden, is nog ontslagen toen hij hertrouwde. Gelukkig is men tegenwoordig niet meer zo schijnheilig. - Hoe hebt u het vak eigenlijk geleerd?
Al doende. Maar je hebt het of je hebt het niet. Volgens mij zijn er twee belangrijke tekenscholen, die van Hergé (de tekenaar van Kuifje, red. ) en die van Franquin (de tekenaar van Robbedoes en Guus Flater, red .). Bij Franquin danst alles, ook auto's of lantaarnpalen. Bij Hergé is alles veel strenger. Ik heb me lang afgevraagd welke richting ik uit moest. Jommeke is niet echt realistisch, maar ook geen karikatuur. Ik moest een eigen stijl vinden. Ik teken zo sober mogelijk, met zo weinig mogelijk details of achtergronden, want het is voor kinderen. Ook het verhaal moet helder zijn en niet eindigen op een vraagteken. - Zoals bij Disney?
Zeker. In 1938 zag ik Sneeuwwitje , de eerste lange tekenfilm in kleur. Nu is dat nog altijd perfect. Ik heb die figuurtjes honderden keren nagetekend. Toen ik twintig was, heb ik nog bij Disney gesolliciteerd. Ze antwoordden dat ik het nog ver zou brengen, maar dat bij hen de gelederen volzet waren. - Wat maakt Jommeke zo populair?
Uiterlijk bleef hij altijd dezelfde. De piekleeftijd ligt bij de negenjarigen. Zij herkennen zich in de figuurtjes, ze hebben dezelfde leeftijd en ze zouden ook graag de avonturen beleven die zij meemaken. En bij Jommeke hebben ze de indruk dat het zou kunnen. Want anders dan Suske en Wiske, zal Jommeke bijvoorbeeld nooit in een teletijdmachine stappen. - U had al lang met pensioen kunnen gaan. Waarom kan u Jommeke niet loslaten?
Het is mijn kind, hé. Dat is over vijftig jaar gegroeid, het wordt nog gegeerd en zo moet het blijven. En als ik zie wat er tegenwoordig zoal op kinderen wordt losgelaten, die computerspelletjes, of zelfs op Ketnet, dat geweld, dat bloot, die monsters De goeden winnen wel altijd, maar hoe? Dan denk ik: laat dat braaf Jommeke maar blijven, om op te roeien tegen die bocht, die onnozele truut . Tommetoch.'' - Vindt u dat u genoeg erkenning krijgt?
Nu wel. Vroeger hoorde ik wel eens van collega's, wat minachtend: Jommeke is niet kwaad, maar het is toch maar een kinderstrip. Maar als dat nu vijftig jaar bestaat, moet het toch goed zijn? Ik sta er zelf van te kijken. En nu is er die tentoonstelling in het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal in Brussel. Ik heb me daar nooit thuis gevoeld. Het is me te Franstalig van sfeer. Brussel, dat is Frans, hé. Ik weet trouwens niets af van strips. Ik lees nooit strips. Als ik er een zie, kijk ik ernaar als tekenaar, om te zien hoe het is getekend. Sommige tekenaars zijn heel knap, maar ja, die moeten geen vier albums per jaar maken.
Bron: Marc Reynebeau;De Standaard
Welkom bij Clubs!
Kijk gerust verder op deze club en doe mee.
Of maak zelf een Clubs account aan: