Blogposts

Blog

Geplaatst op zondag 30 januari 2011 @ 11:20 door Calamandja , 1796 keer bekeken

Roger Leloup werkte 5 jaar aa…

 

Veertig jaar geleden was Yoko Tsuno de eerste stripvrouw die haar mannetje mocht staan in de Belgische stripscene.

Bij het verschijnen van het nieuwste album trok DMM naar haar schepper, Roger Leloup. De grootmeester, in een ver verleden nog verantwoordelijk voor de technische tekeningen in Kuifje, werkte er vijf jaar aan. Ondanks Hergés waarschuwing om ‘toch vooral geen reeks rond een vrouw op te zetten’, gingen er van de Japanse wereldwijd zowat negen miljoen albums over de toonbank.

 

We bevinden ons in Waver, in de woonst van Roger Leloup. “Hier, in deze vertrekken, blijf ik een kind”, grijnst de nu 77-jarige geestelijke vader van Yoko Tsuno. Met gepaste trots troont hij ons mee naar de eerste verdieping. Verrassingen om elke hoek. De eerste kamer wordt bijna geheel gedomineerd door een immens miniatuurtreinstation. En we hebben nog niets gezien, zo maakt hij duidelijk. ’s Mans kin stuurt mijn blik naar de hoek van de kamer, waar enkele treintjes door een kleine, zelf aangelegde spoortunnel, dwars door de muur naar een tweede en derde vertrek rijden, om te eindigen in de laatste en grootste kamer: atelier annex tekenstudio. “Het gaat om vijfenzestig meter sporen”, klinkt het glunderend. Een kleine pauze dient om de enthousiaste kreetjes van journalist en fotograaf in ontvangst te nemen. Wat volgt is een man die vier uur lang op bijzonder energieke wijze over zijn twee grootste passies spreekt: striptekenen en techniek.

Ter illustratie gebruikt hij daarbij voortdurend tientallen in het atelier opgestelde attributen. Overal staan maquettes van futuristische vliegtuigen, beeldjes en tekeningen van Yoko Tsuno, een enkele afstandsbediening van een draadloos vliegtuigje, miniatuurvliegtuigen van Sabena en Korean Air of een kleine, eigenhandig aangepaste kopie van de Lotus Elise waarmee Yoko tegenwoordig rondrijdt. Een wat vergeeld exemplaar van zijn roman uit 1989, Le pic des ténèbres ligt naast de twee grote computerschermen op zijn tekentafel, iets verderop liggen de eerste platen van het volgende verhaal.

“En heb je dit al gezien?”, vraagt Leloup, terwijl hij voorzichtig het dak verwijdert van een maquette van een groot huis - Yoko’s villa. Alle kamers in de maquette zijn zorgvuldig ingericht. “Soms, als ik vergeten ben hoe Yoko’s huis en kamers eruitzien, haal ik het huis uit elkaar”, zegt hij. “Want het moet allemaal juist zijn. De lezers moeten het gevoel hebben dat ze er al zijn geweest.”

Dat Leloup een perfectionist is, is een understatement van formaat. Van heel wat van de futuristische transportvliegtuigen, zoals de wit-gele kolibrie uit de Yoko Tsuno-albums Het kanon van Kra of het immense ruimteveer van de buitenaardse Vineanen uit het recente De dienares van Lucifer, maakte hij eveneens maquettes. Sommige kunnen zelfs vliegen.

Maar het kan nog straffer: toen Hergé hem in de jaren zestig vroeg om voor het Kuifje-album Vlucht 714 een moderne jet te ontwerpen, maakte Leloup zelfs een reuzegrote, minutieus gedetailleerde dwarsdoorsnede van de befaamde Carreidas 160. De prent verscheen nadien in verschillende naslagwerken over Hergé, en heel even waagden de erven het zelfs te claimen dat het om een tekening van Hergé ging. “Men heeft me zelfs gevraagd mijn naam van die prent te halen. Dat heb ik geweigerd. Het origineel heb ik hen ook nooit gegeven. Wat ze kregen was een kopie met een beetje vage inkleuring, zodat ze niet ongevraagd in een boek kon worden afgedrukt.”

Hij moet soms wel wat streng zijn, zegt hij. In zijn carrière heeft hij al genoeg watertjes doorzwommen. Leloup werd als jonge snaak van de Luikse tekenacademie Saint-Luc weggeplukt door Jacques Martin (Alex, Lefranc) en werkte lange tijd als assistent voor zowel Edgar Pierre Jacobs (Blake en Mortimer), Peyo (de Smurfen) als Hergé. Hij was tweeëntwintig toen hij in de Studios Hergé arriveerde, zevenendertig toen hij er wegtrok. In die periode tekende hij zowat alle transportvoertuigen die in Kuifje verschenen. Elke tekening met een zweem van techniek schoven de andere studiomedewerkers maar wat graag naar hem door. De procedure was even simpel als doeltreffend: Leloup tekende, zeg maar, een sportvliegtuig, en Hergé liet Kuifje plaatsnemen achter het stuur.

Yoko%2B25%2BGarde8.jpg

Was het moeilijk om voor Hergé te werken?

“Neen, Hergé heeft me zelfs nooit gevraagd om iets opnieuw te tekenen. Hij was een hoffelijk man. Wanneer hij iets niet goed vond, liet hij dat heel subtiel doorschemeren. ‘Denk je niet dat…’, begon hij dan. Tja, dan wist je het al. (grijnst) Maar hij vertrouwde op zijn assistenten. Hij schrok er namelijk niet voor terug om het talent van anderen aan te spreken voor tekenwerk dat hem minder goed lag. Hij erkende zijn meerderen daarin.

Al het technische werk was voor mij. Vliegtuigen, wagens, tanks, wapens, een rolstoel of zelfs het treinstation van Genève-Cointrin in De zaak Zonnebloem. Dat was mijn werk. Ik had ook als laatste de originele pagina in handen en moest de potloodlijnen uitgummen voor ze naar de drukker gingen. Daardoor verdwenen er soms ook inktlijnen, en moest ik ze opnieuw inkten. Officieel heb ik dus geen personages getekend, maar goed, ik ben er toch vaak overheen gegaan. (glimlacht) Maar voor alle duidelijkheid: ondanks de verhalen die soms de ronde doen, was het wel degelijk Hergé die Kuifje groot heeft gemaakt, en niet zijn assistenten. Je moet hem de lof toezwaaien die hij verdient. Hij was de ster, en ik mocht hem graag. Blijkbaar heb ik hem anders gekend dan wat de verhalen vandaag laten uitschijnen. Hij was een vriendelijke, eenvoudige en zachte man. Pretentie was Hergé vreemd. Ik herinner me dat hij zelf moeite had met het succes dat hem te beurt viel. Toen we hoorden dat er 50.000 Belgische frank geboden werd voor een zeldzaam Kuifje-album, reageerde hij door te zeggen dat de wereld gek aan het worden was. In de studio lagen nog een tweetal exemplaren. Of ik er eentje wilde hebben, vroeg hij. (glimlacht) ‘Of zal ik een nieuw origineel maken?’”

 

1970 was het jaar waarin tekenaar Walthéry met Natasja en u met Yoko Tsuno op de proppen kwam. Opmerkelijk, want in de jaren veertig, vijftig en zestig was het niet opportuun vrouwen in de strip te brengen. Daar zat de Franse censuurcommissie voor iets tussen. In Kuifje waren bijvoorbeeld slechts 12 van de 345 personages vrouwelijk en in Blake en Mortimer mocht geen enkele vrouw verschijnen. Heb jij die druk ooit gevoeld?

“Hmm, niet echt. Weet je wat het probleem was? Dat meisjes - bijvoorbeeld Bécassine of Little Annie - wel mochten verschijnen, maar vrouwen dat voorrecht niet hadden. Laat ik het zo zeggen: een vrouwelijk personage mocht niet te ‘herkenbaar’ getekend worden. Niet te vrouwelijk, begrijpt u?!”

 

Euhm, niet echt.

“(grijnst, terwijl hij zijn handen plat op zijn borstkas drukt) Geen borsten! Men wilde in die tijd jeugdliteratuur. De Franse censuurcommissie kende de uitgevers een ISBN-nummer toe, waardoor die zich aan hun grieven moesten aanpassen. Het was dat of geen ISBN-nummer en dus geen uitgeefrecht krijgen. De stripscene was toen erg katholiek. Idem voor het weekblad Spirou. Ook de drukkers waren vaak katholiek en dat lieten ze duidelijk weten. Zij konden tekeningen of zelfs nummers uit de handel houden. Censuur was er dus wel degelijk, maar wat toen erg opviel was dat vooral de buitenlanders zich moesten verantwoorden voor die commissie. De Franse auteurs werden met rust gelaten. In België moest iedere uitgever of artistiek directeur daar rekening mee houden.”

 

Heeft Yoko Tsuno daar last van gehad?

“Nee, eind jaren zestig was die censuurperiode voorbij. Sterker zelfs: het was Dupuis dat er in 1970 op aandrong om Yoko te katapulteren als hoofdrolspeelster. Zelf had ik haar namelijk gecreëerd als nevenpersonage. Samen met Paul en Ben vormde zij een trio. Maar daar kwam dus al een eind aan na drie in Spirou/Robbedoes gepubliceerde kortverhalen. In het begin liep men niet zo hoog op met Yoko Tsuno. In eerste instantie dacht de hoofdredactie zelfs dat ik laag zou eindigen in de jaarlijkse verkiezing van de favoriete personages en reeksen bij de lezers. Het tegendeel was waar. Terwijl voorspeld werd dat ik met Yoko op de vijfentwintigste plaats zou eindigen, ná de Smurfen, kwam ik als vijfde uit de bus. Vóór de Smurfen. (brede grijns) Dat heeft hen de ogen geopend. Dupuis vroeg me na dat resultaat niet enkel om door te gaan met Yoko Tsuno, maar instrueerde me ook om van Yoko het hoofdpersonage te maken. Een heuglijke dag. Op pagina dertien van het eerste lange verhaal, Trio in het onbekende, zie je Yoko dan ook de leiding nemen van het trio. De eerste tien platen waren getekend vóór de verkiezing van populairste reeks en personages.”

 

Ik lees vaak dat Yoko gebaseerd is op een jeugdvriendin van u.

“Ja, maar dat klopt niet. Yoko is gebaseerd op de Japanse actrice Yoko Tani waarvan ik als kind enkele films had gezien. Ik was danig onder de indruk van haar. Fysiek lijken de actrice en mijn personage niet op elkaar, maar ik mag wel denken dat hun persoonlijkheid raakvlakken heeft. Nog voor ik Yoko creëerde wist ik dat ik van haar een Aziatische wilde maken. Dat was moeilijker dan ik dacht. Het heeft veel denkwerk gekost om haar een nationaliteit te geven. Een Chinese of Noord-Koreaanse kon ze niet worden, want dan zou er meteen een communistisch geurtje aan kleven. En er waren in die periode nog wat Aziatische landen waarover men nerveus werd. Uiteindelijk werd ze een Japanse: Japan was neutraal gebied. In het begin heette ze trouwens Yoko Shirushi, maar die naam vond ik te lang.”

 

Waarom koos jij voor een vrouw met een typisch mannenberoep: elektrotechnisch ingenieur? En vanwaar je inzet voor de vrouwenemancipatie?

“In die tijd begonnen jongens en meisjes al naar dezelfde scholen te gaan. Je zag meisjes rondrijden op scooters. De emancipatie was al gaande. In eerste instantie had ik me voorgenomen om van Yoko een stewardess te maken. Ze zou France heten als ze bij Air France zou werken, Sabina als ze bij Sabena werkte. Dupuis stak daar een stokje voor. De hoofdredactie belde op met de vraag of ik Natasja van Walthéry kende. Ik kende haar niet. Ik moet er Walthéry (geestelijke vader van Natasja, GDW) eigenlijk dankbaar voor zijn. Het bestaan van zijn Natasja is namelijk mijn grote geluk geweest. Als stewardess zou ik Yoko immers hebben veroordeeld tot het vliegtuig en had ze nooit de bewegingsvrijheid kunnen krijgen die ze nu wel heeft. Nu beleeft ze zelfs sciencefictionverhalen. Dat heb ik overigens te danken aan Charles Dupuis (de legendarische grote baas van Dupuis, GDW), die me aanspoorde dat genre te verkennen. Vond ik geweldig, hoewel ik altijd wat bedenkingen rond sciencefiction heb gehad. Dat was een beetje de schuld van Hergé, die me daarin temperde.”

 

Klopt het dat u ooit een scenario maakte voor een Kuifjeverhaal, maar dat Hergé dat te futuristisch vond?

“Inderdaad. Ik had een verhaal geschreven over een onbekende beschaving op een eiland waar men lava als energie gebruikt. Hergé vond dat echter te modern voor Kuifje. Geen probleem, dacht ik, later gebruik ik het scenario zelf wel. Jaren later werd dat Vulcanus’ smidse, het derde Yoko Tsuno-verhaal. Hergé had niet alleen problemen met de sciencefiction in het verhaal, maar ook met de vrouwenrollen. En de hoofdrol was zelfs voor een vrouw. Hij waarschuwde me daar later voor: ‘Roger’, zei hij, ‘vrouwen in een strip, dat werkt niet.’ (lacht)”

 

Hoe reageerde hij toen Yoko toch een succes bleek?

“Hij zei: ‘Roger, we hadden Yoko ook in de Studios Hergé kunnen maken.’ Een groot compliment, vond ik. Ik reageerde door te zeggen dat dat inderdaad mogelijk zou zijn geweest, dat ik dat met hem wel had willen maken, maar niet met de andere medewerkers van de Studio. Er was namelijk nogal wat jaloezie onder de assistenten. Ik heb hier in de kast ergens een door Hergé gesigneerd album van Kuifje en de Picaro’s liggen. Hij heeft dat album niet opgedragen aan mij, maar aan ‘Yoko en haar familie’. Vond ik heel mooi van hem. Dat is veel geld waard, hoor.”


Ik kom even terug op je voorliefde voor Aziatische mensen. Eerlijk gezegd, bij het aanbellen had ik gedacht dat een Aziatische de deur zou openen.

“(lacht) Dat had gekund. Ik hou van Aziatische vrouwen. Ik heb Aziatische vrienden en een Koreaans adoptiekind, wist u dat? Japanners zijn de Zwitsers van Azië. Ze zijn heel correct, strikt ook. Je weet wat je aan hen hebt. Overigens, Yoko bestond al toen mijn pleegdochter in ons leven kwam. Het zijn twee totaal verschillende dingen, al moet ik bekennen dat het Yoko is die me het contact met mijn dochter geeft.”

 

Als ik Yoko Tsuno lees denk ik wel eens: Leloup kan niet kiezen tussen klassieke misdaadverhalen en sciencefiction. Je wisselt erg vaak af.

“Dat doe ik bewust. Een sf-verhaal wordt vaak gevolgd door een klassiek verhaal. Dat heeft met mijn interesses te maken. Ik hou erg van Jules Verne en H.G. Wells, maar tegelijkertijd lees ik graag Edgar Allan Poe en Jean Ray. Yoko bestaat uit drie grote facetten: sciencefiction, fantasie en tijdreizen. Dat laat me toe om variatie te brengen. Albums als De grens van het leven of De astroloog van Brugge zijn eigenlijk klassieke verhalen, maar doordat ik het tijdreizen in die albums breng, wordt het sciencefiction. Ik vind dat leuk. Bovendien, toen ik aan De grens van het leven begon, meldde ik Dupuis dat het een album voor meisjes en vrouwen zou worden. Vanaf dat album veranderde ook Yoko’s karakter. Ik had nauw contact met een medisch team over de wetenschappelijke mogelijkheden van dat verhaal, want ik wilde een gefundeerde mening. Daardoor is Yoko zachter geworden, minder zwart-wit.”

 

Heb je enig idee van de verhouding tussen je mannelijke en vrouwelijke lezerspubliek?

“Het is fiftyfifty. Dat verbaast u? Het is inderdaad zeer veel. (staat op en haalt een stapeltje fanmail) Allemaal vrouwen! Zij reageren het vaakst. Er zitten vrouwen bij van vijftig of zestig jaar. Yoko herinnert hen aan hun jeugd, zeggen ze. Tja, dat is niet echt een compliment want het betekent dat de tijd bij mij ook al heeft toegeslagen. (grijnst)”

 

Je behoort tot het kleine kransje van bekende Belgische stripauteurs, maar toch lees ik weinig interviews van u. Zou het kunnen dat u een beetje miskend bent?

“Nou, miskend?! Niet echt. Je moet wel weten dat Yoko Tsuno een erg arbeidsintensieve strip is. Ik werk zeventig uur per week en doe werkelijk alles zelf, tot de richtlijnen voor de inkleuring toe. Voor de platen naar de inkleurder gaan, geef ik ze al een eerste kleurlaag. Veel vrije tijd hou ik dan ook niet over. Ik neem ook niet de tijd om op interview- of festivalaanvragen in te gaan. Hong Kong TV vroeg me laatst om voor hun programma Good morning Hong Kong over te vliegen. Moet ik dat doen? Nee, dan verlies ik te veel tijd, want op mijn leeftijd gaat alles wat trager. Ik wil mijn nieuwe album afwerken.”

 

Hoor ik dat goed? Yoko Tsuno is bekend in Japan?

“Toch een beetje. Yoko Tsuno is natuurlijk geen manga, maar toch krijg ik er feedback op de verhalen. (neemt er een Japans manga-magazine bij) Hier staat bijvoorbeeld een kortverhaal van Yoko in. Haar personage leeft wel in Japan, hoor. Laatst kwam de Japanse televisie op bezoek. Ze hadden onderzocht wie de bekendste Japanse vrouw in verschillende Europese landen was. Voor België bleek dat Yoko Tsuno. Het waren de Japanse vrouwen uit het Brusselse die hen op weg hadden geholpen. Bij hen leeft deze reeks echt. Die Japanners stonden wel erg te kijken van de kwaliteit van de tekeningen. Yoko Tsuno verschijnt in kleur, is erg realistisch en gedetailleerd getekend en er gaat veel research aan vooraf. Dat is niet altijd het geval met Japanse manga’s. Helaas resulteert die belangstelling niet echt in de publicatie van Yoko Tsuno-albums in Japan. Dat is de schuld van Dupuis. Zij zetten hun schouders er niet onder.”

 

U werkt nu jaren aan één enkel album. Het recente De dienares van Lucifer kostte u zelfs vijf volle jaren. Waarom werkt u niet samen met een assistent?

“Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste ben ik een solitair mens, ten tweede wil ik Yoko voor mezelf houden en ten derde: als ik iemand voortdurend moet vertellen wat ie moet doen, dan kan ik het beter zelf doen. Maar alles begint bij een assistent vinden die het even goed en gedreven doet als ik. En áls iemand zo goed is, dan kan hij toch beter zelf een eigen reeks opstarten, niet?! Kijk, ik ben zelf lange tijd - misschien wel te lang - assistent geweest om te weten dat je als artiest een eigen reeks wilt maken. En het moet klikken, natuurlijk. En u weet toch hoe dat gaat met assistenten?! Het eerste jaar willen ze je betalen om je assistent te zijn, het tweede jaar willen ze betaald worden en het derde jaar willen ze weg.

(mijmerend) Ik heb het geluk gehad dat niemand me heeft gekopieerd. Yoko Tsuno is zo opgevat dat het ook niet makkelijk zou zijn geweest. Een auteur die iets gelijkaardigs probeert wordt meteen afgerekend als een copycat. Het tweede belangrijke element is dat Yoko in mij zit. (wijst naar zijn hart) Ik voel me ontzettend verbonden met haar leven. Als laatste is het belangrijk dat ze nooit ouder is geworden. Ik heb haar sinds enkele albums wel een jongere vriendin gegeven: Emilia. Zulke nevenpersonages evolueren wel mee met de tijd. Zo vertegenwoordigt Emilia de jeugd van tegenwoordig. Ze is vrijer van geest, spontaner, iets brutaler ook. In de loop der jaren is me ook al enkele malen verweten dat Yoko nooit lacht, maar ook dat kan nu sneller dankzij Emilia, die veel spontaner is en daardoor meer feedback van Yoko eist. Ik moet eerlijk bekennen dat Emilia oorspronkelijk is opgezet als een spin-off van Yoko Tsuno, maar ik weet nu al dat ik niet de tijd zal hebben om daar een volwaardige reeks van te maken.”

 

Hoe lang blijft u nog Yoko Tsuno tekenen?

“Ik kan mezelf gezond houden door te werken. Ik wil daarbij geen tijd verliezen. Voor één uur ’s nachts slaap ik niet, ik reis niet meer dan 50 kilometer, ga niet op vakantie, trek zelfs niet naar de bioscoop. Ik ben een weliswaar gepensioneerd, maar gelukkig man. Begrijp me niet verkeerd: het is niet mijn doel om zoveel mogelijk Yoko-albums op de markt te brengen, maar wel om de kwaliteit van die reeks op peil te houden. Ik móet wel voortwerken. Ik heb Yoko nodig. Om te dromen, om te leven en om gezond te blijven. Op mijn leeftijd zal het ene verhaal misschien wat minder goed zijn dan het andere, maar goed, dat neem ik erbij. Ik moet ook niet meer zo nodig mijn stempel drukken op de stripwereld.”

 

Als u er morgen niet meer bent, mag Yoko Tsuno dan blijven bestaan?

“(denkt lang na) Ik neem de ziel van Yoko in ieder geval met me mee. (pauzeert weer even) Maar ik heb testamentair niets vastgelegd. Ik wil een stichting oprichten waarbij het antwoord op die vraag in handen is van mijn kinderen. Zij willen dat ik er nu al op antwoord, maar zo simpel ligt dat niet. Yoko blijft misschien geen stripreeks. Disney/Metro-Goldwyn-Mayer heeft me gecontacteerd over een mogelijke verfilming van Yoko Tsuno. De enige voorwaarde was echter dat Yoko geen Japanse mocht blijven. Misschien mag ze nog net een Europese zijn, maar verder willen de Amerikanen niet gaan. Toen ik hen vroeg naar de beweegredenen achter die beslissing, kreeg ik te horen dat de VS en Japan ooit in oorlog waren geweest. Atoombommen, weet u wel?! Maar dat onderwerp mocht niet aangeroerd worden. Yoko is en blijft een Japanse. Als men er ooit een film van maakt, zal hij gemaakt worden door Europeanen of eerder zelfs Japanners. Ik geef geen duimbreed toe.”

 

Bron: Geert De Weyer; De Morgen Magazine; 29 januari 2011; www.demorgen.be

monastEY3.JPG

Yoko Tsuno 25: De dienares van Lucifer,

Roger Leloup,

Dupuis, 48 p., 6,50 euro

Yoko Tsuno Homepage: www.yokotsuno.be



Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Plaats een reactie

Je moet ingelogd zijn om een reactie te mogen plaatsen. Klik hier om in te loggen.